Zo groeit de bloem in het onbeschrijflijke

Mennorode december 2005 | Zondagmorgen
Inleiding [download]

Vanochtend werd ik wakker met een heel oud beeld: dat je helemaal in je bekkenbodem zit, en dat je navel naar boven wijst, naar de hemel.
Dat zijn twee stappen. De derde stap moet nog genomen worden: dat de hemel, het mysterie, helemaal om je heen is. Terwijl je tevens heel duidelijk rust in de aarde. Want je bent niet weg van de aarde, je rust erin. Tegelijkertijd ben je in het mysterie.

Het is natuurlijk maar een beeld, maar het geeft heel kernachtig aan waar het om gaat.
De voorperiode duurt heel lang, de periode dat je gaat rusten in je bekkenbodem. Want het oppervlakkige denken – wat beperkt is, maar tevens heel sterk en heel oud – heeft een geweldige macht over je. Daar ligt je verleden in besloten, je opgroeien, een bepaalde plek bij bepaalde mensen, met bepaalde gedachten en overtuigingen. Die neem je eerst over, daarna verzet je je ertegen en maak je je er van los. Maar het blijft eigenlijk hetzelfde, je blijft daarin ronddraaien.
Op den duur daagt het bij je dat dit niet het enige is, dat er iets anders is. Dat soms langskomt, onverwacht, onaangekondigd, en je even bevrijdt van de chaos in jezelf.

Dat is een geweldige ervaring. Maar daar ga je natuurlijk over denken. Natuurlijk, je hebt niks anders – die ervaring is geweest, maar je denkt al aan de volgende.
Daar zijn boeken over vol geschreven, systemen en therapieën, en er ontstaan steeds nieuwe. Maar dat is allemaal niet van dát, dat wat vóór alles is en nà alles is.

Zo groei je langzamerhand – dat is de weg – naar de gedachte dat je het niet begrijpen kunt. Dat is een geweldige stap, als je echt voor jezelf vaststelt: dat kan niet.
Als je dat vaststelt, echt vaststelt, ben je al een stuk losser van de dwang van het tijdelijke. Het tijdelijke is heel groot, het zijn al je gewoonten, al je gedachten, al je vermoedens, meningen, voorstellingen, verwachtingen – alles. Daar ben je niet zomaar los van. En het blijft ook, het blijft altijd, anders kun je niet leven. Je hebt je tijdelijke huis, je ‘ik’, je lichaam, nodig.
Ga dat tijdelijke niet veroordelen, doe dat niet, dat is verspilde energie, je bent dat.

Maar je hebt geproefd van dat andere, echt geproefd, niet uit de boeken, niet uit mededelingen, niet uit de geschiedenis, maar je hebt zelf ervaren.
Dat geeft al een geweldige rust … de rust dat je mag zijn zoals je bent, dat je niet meer bent dan je bent. En wat je doorgeeft is wat je bent – je kunt ook doorgeven wat je niet bent, dat gebeurt meestal, maar dat is flauwekul, je geeft door wat je bent.
Je bent in een bepaald stadium, je weet van het mysterie. Maar het is maar heel kort, telkens weer, ’t is het maar kort.
Het gaat dus eigenlijk om de intensiteit van het korte moment. Als het heel erg intens is, kun je het niet meer vergeten.

Telkens op de dag, zomaar, denk je: o ja, dat ben ik eigenlijk, deel van het mysterie, onverbrekelijk deel; daartoe behoorde ik toen ik geboren werd, en daartoe blijf ik behoren als ik sterf, als m’n lichaam z’n tijd heeft gehad.

En intussen – wat is de opgave?
De opgave is dat te zijn wat je niet kunt bespreken, alleen maar dat te zijn, het uit te drukken in je leven.
Je weet niet hoe je dat doen zal, dat is niet bekend, daar kun je dus ook niet over denken. Je kunt alleen maar diep in jezelf ervaren wat het is en van daaruit leven, telkens weer. Want je verliest het natuurlijk, dat is ook heel bekend, je verliest het telkens. En dan ben je weer in de chaos. Die chaos kan gestructureerd zijn, dat is mogelijk, maar het blijft chaos.

En zo leef je.
En je ziet om je heen de mensen, de wereld, de dingen die elke dag bij je zijn en die je gebruikt.
Dan is het weer belangrijk: hoe gebruik je ze? Gebruik je ze vanuit dat onbeschrijfelijke, of gebruik je het vanuit het tijdelijke?
Als je het vanuit het onbeschrijfelijke gebruikt, dan heb je eerbied voor alles: de kleren die je aantrekt, het eten dat je eet, de mens die je ontmoet. Met wie je, soms, al heel lang hebt geleefd, maar die nu nieuw voor je is.
Je vraagt je af: die mens, hoe is ie, wat beweegt hem? Je vraagt je niet meer af: houdt hij van me? Maar: wat beweegt h’m, wat maakt dat hij is zoals hij is?
Daar heb ik nog nooit naar gevraagd, ik heb altijd alleen maar gedacht van: ‘Houdt hij van me?’
Dat is iets heel anders: dat je met je aandacht naar die ander toe gaat. Niet om er iets aan te doen – dat heb je tot nu toe gedaan, altijd doe je er iets aan: verbeteren, je bent altijd bezig iets te maken …
Dat laat je nu na, je moet eerst weten wie die ander is, z’n kern, z’n dagelijkse zijn; hoe hij zich verhoudt tot z’n dagelijkse zijn, tot z’n kern.
Je stelt soms een vraag, heel voorzichtig, je wilt hem niet laten schrikken. Heel voorzichtig vraag je telkens wat, een kleinigheid maar.
En je hoopt dat hij daarop kan antwoorden, dat hij zich niet bedreigd voelt, dat hij zich niet bevraagd voelt, dat hij voelt dat je echte belangstelling hebt voor hem.

Zo komt langzaam een nieuwe verhouding op gang, voetje voor voetje, telkens wachtend, wachtend op wat wil komen.
Want dat heeft die ander niet in z’n macht, er zijn zoveel blokkades vanuit het verleden. Die moeten nu langzaam duidelijk worden. Zodat in dat eindeloze gesprek tussen jou en de ander, die blokkades kunnen smelten.
Dat doe jij niet, dat gebeurt, dat gebeurt in die aandacht. DAT DOE JIJ GODZIJDANK NIET!
Want als je het doet, ben je alweer bezig, dan ben je niet meer die oase waarin die ander zich kan ontspannen, waarin hij geen schaamte meer heeft, waarin hij kan zijn als hij is.

Dat duurt heel lang, want dat ben je niet gewend, dat is heel nieuw.
Het is ook heel prachtig dat het nieuw is, want als je er ook maar iets van wist, was het al kapot. Alles wat je vast kunt stellen, is niet dáárvan.
Dat is heel bijzonder: dat er geen schaamte meer is, dat je naakt staat. En dat dat goed is.
Dat je je eindelijk, eindelijk niet meer hoeft te verdedigen, ook niet subtiel, ook niet toch …
Dat je echt samen bent, zonder afscherming, dat je er samen voorstaat, naakt.

En zo groeit de bloem in het onbeschrijfelijke.
Die bloem blijft bestaan, ook als allebei de aarde verlaten hebben omdat het tijd is.
Uit die bloem komen nieuwe vruchten voort, je weet niet wanneer en je weet niet hoe, je weet ook niet hoe de wereld waar je in terugkomt zal zijn.
Je hebt alleen maar dat besef.

naar boven

Gesprek (fragment)

– A.: Maarten, een filosofische vraag…

– Maarten: O jee… [lacht]

– A.: Het verleden, waar we normaal mee bezig zijn, heeft alleen een indruk in ons geheugen, daar hebben we niet zoveel aan…

– Maarten: Nou, wacht even, als je het verleden als historie bekijkt, hebben we er wel wat aan.

– A.: Maar jij geeft toch als boodschap af dat het om het ‘nu’ gaat…

– Maarten: Ja.

– A.: Als je op het ‘nu’ inzoomt – dat probeer ik wel eens – is dat flinterdun. Als ik naar B. kijk, krijg ik een beeld van hem, de realiteit zit dan in m’n hoofd. Als ik een röntgenbril zou opzetten, zou ik alleen een skelet zien, ik zie hem nu toevallig in kleur… [gelach]
Wat ik zie, hangt dus af van de bril die ik opzet. Dat is nog steeds een zintuiglijke actie. Maar het is al een verwerkingsproces, niet het flinterdunne ‘nu’.
Kun je me uitleggen hoe ik bij dat ‘nu’ kan komen?

– Maarten: Nee, dat kan ik je niet uitleggen. Maar ik wil er wel wat over zeggen.
Wat gebeurt er als je die filosofische vraag oppakt, wat heeft het tot gevolg? Het heeft tot gevolg dat je voorzichtig wordt, dat je zegt ‘wat ik opmerk, is misschien niet waar.’
Dat is al héél wat, dat zet je op schérp. Het is fantastisch dat je niet meer slaapt, maar op scherp staat! Juist omdat je geen enkele zekerheid meer hebt, kom je op scherp te staan. En dat heeft gevolgen…
Dus langs een omweg – jouw vraag – word je wakker.
En je zult ook merken – tenminste ik heb het bij mezelf gemerkt – dat je dat niet zolang volhoudt. Je hebt zoiets van: ja, ’t is waar, maar ik wil ook wel even uitrusten, niet aldoor scherp zijn…
Dat is een moeilijkheid, want de meeste mensen denken dat je het dan fout doet. Maar het is heel goed dat je zegt ‘het is oké, maar eventjes rusten in het bekende’ – dus een beetje slapen. Maar je bent scherp geweest! En dat laat z’n sporen na – het is geen herinnering, maar ’t laat een spoor na van: kalm aan, kalm aan!
Ik heb zó vaak beleefd in m’n leven dat ik van mensen, die ik heel vaak ontmoet had, dacht: die zit zus en zo in elkaar. En dan gebeurde er iets, en ik merkte: ach, jeetje, er klopt niets van.
En het was ook altijd in gunstige zin. Dat is heel opmerkelijk: je hebt een opvatting van iemand, en dan blijkt dat hij eigenlijk veel rijker, veel beter is.
Dus dat maakt je hartstikke voorzichtig. En dat je voorzichtig bent, maakt dat je weer scherp wordt. Dat gaat continu door. Je moet ook heel veel om jezelf lachen, je krijgt steeds minder het idee ‘ik ben wat’, steeds meer het idee ‘ik ben heel erg voorlopig’. Daar hoef je niet eens leed bij te halen, daar hoef je geen boeddhist voor te zijn.
Het is niet voorzichtig zijn in de zin van ‘pas op!’, het is meer een openstaan.

Dus mijn antwoord op jouw vraag is dat er een mechanisme op gang komt waardoor je, zonder dat je er iets aan hoeft te doen, steeds even op scherp komt te staan.
Nou, dat is geweldig, dat heb je eigenlijk niet gewild, je hebt je een vraag gesteld, en uit die vraag komt zóveel voort dat je op scherp komt te staan. Dat houd je niet lang vol en dan val je weer terug. Zo gaat dat maar door.
Het leuke is dat leeftijd daarin geen rol speelt, het gaat gewoon door. Dus als ’t goed is geldt: hoe ouder je wordt, hoe scherper je wordt. Dat zou ik dan niet van mezelf willen zeggen, maar… [lacht]


[1]Maarten Houtman, De andere oever; een jeugd op Java. Asoka, 2006.

Foto bovenaan: Emilie van de Raa.

naar boven


< terug Maarten's laatste toespraken