De tuin van de koning

“Koning David was niet zo’n vreselijk lieve jongen geweest. Dus de duivel meende dat hij aanspraak kon maken op koning David als hij stierf.

Met deze woorden begint Maarten Houtman zijn sessie-toespraak De legende van koning David.

Ik kreeg grote behoefte aan een kleine geheugensteun: wat stond er ook weer over koning David in de bijbel?
Om dat te weten te komen, zocht ik mijn toevlucht tot Het boek van alle boeken, de hervertelling van de bijbel van Roberto Calasso, die als geen ander in staat is de mythologische verhalen van de mensheid opnieuw tot leven te brengen – zoals hij dat ook deed met de mythen van het oude India in zijn magistrale boek Ka, dat een lievelingsboek van Maarten Houtman was.
Hoewel het Oude Testament mij als kind van gereformeerde huize wel enigszins vertrouwd is, leest Het boek van alle boeken alsof je een onbekende wereld betreedt. En wat voor wereld…
Calasso noemt het bijbelboek 1 Koningen ‘een van de indrukwekkendste boeken die ooit geschreven zijn’. Hier de passage die hij wijdt aan de laatste dagen van koning David:

“In zijn laatste jaren hield David meer van studeren dan van oorlog voeren. Jahweh had gezegd dat hij op een sabbat zou sterven. Elke sabbat was David volledig verdiept in de Thora, omdat hij wist dat de doodsengel iemand die de Thora bestudeert niet kan treffen. Zijn aandacht was geboeid, vloeiend, constant.
Uit de tuin klonk een geluid. David keek op en zijn ogen werden overstelpt door een bonte schittering. De tuin stond in volle bloei.
Wat was dat geluid? Een lokroep? David stond van tafel op, nog steeds in gedachten, bewoog zich langzaam naar het venster. Hij keek recht voor zich terwijl hij de paar treden afdaalde die hem van de tuin scheidden. Hij stapte mis en viel, sloeg met zijn nek op de stenen.
Zijn levenloze lichaam bleef in de zon liggen, omdat het sabbat was en niemand het zou mogen aanraken. Maar al snel cirkelden vier adelaars om hem heen en zorgden met hun vleugels voor schaduw, als onder een zwarte tent.”


In de middag van de sessie gaat Maarten dieper in op dat moment van ‘afgeleid zijn’ van koning David. En vertelt ons dat voor ieder mens geldt, dat hij een paar momenten op de dag heeft dat hij onbeschermd is: “hij is er zelf niet én hij is nog niet in de bescherming van het wezenlijke is – als hij slaapt is hij in die grote bescherming.”

Zelf ken ik dat gevoel van onbeschermd zijn, als ik ’s ochtends wakker wordt en me verloren voel in de wereld. Dan is er iets in mij wat probeert ‘in contact te te treden’. Ik ben altijd zielsdankbaar als dat tot stand komt en ik me weer veilig voel. Soms kan een ander je daarbij helpen.

PS
In de NRC van 25 januari j.l. stond een artikel Palestijnen maken plaats voor ‘de tuin van de koning’. Daarin wordt verteld dat er in Oost-Jerusalem een bijbels themapark wordt gebouwd met de naam ‘De tuin van de koning’. Om met voor toeristen gemakkelijker te maken daar te komen, wordt er een kabelbaan gebouwd naar de Olijfberg en Gethsemane. Opgravingen moeten er de Joodse claim op het land ondersteunen.
Een kabelbaan naar Gethsemane... Over ontmythologisering gesproken...
Plattegrond van de geplande kabelbaan naar Gethsemane (bron NRC)
Foto bovenaan: Emilie van de Raa, Ochtendlucht boven Friesland

Levensweg

✏️ NOTITIE bij de De innerlijke reis, toespraak voor februari 2024

“De weg is eigenlijk alleen maar een richting. Het is geen weg die er al is, hij ontstaat achter je als het ware. Terwijl je gaat ontstaat de weg. Dat is het eigenlijk, hij is er niet, maar door jouw eigen richting ontstaat er een weg.
Dat is een heel groot wonder. Je ontdekt de samenhangen door te leven, niet door erover te fantaseren, maar door te leven. En in dat leven kan het gebeuren.”
Maarten Houtman, De innerlijke reis, Vijfdaagse juli 1993, vrijdagavond

Toen ik in 1981 per ongeluk in een beginnerscursus van Maarten Houtman terecht kwam, 37 was ik en ik voelde me behoorlijk oud, had ik al een heel traject afgelegd. Ergens in mijn puberteit was de vraag gerezen of het leven dat ik leidde, echt de enige werkelijkheid was. Vanuit die vraag kwam later de studie psychologie, maar geen antwoord. Na 15 moeizame jaren psychologie wist ik zeker dat het antwoord te vinden was in de wijsbegeerte. Zes jaar verder met een tocht langs Aristoteles en de boeddhistische filosofie wist ik het opnieuw. Een antwoord kon alleen maar komen uit stil zitten. Vandaar die beginnerscursus.

Toen ik eenmaal stil ging zitten, op een houten bankje, want te stijf voor een mooie yogazit, gingen werelden voor me open. Maar tot mijn verbazing kwam er geen nieuwe werkelijkheid naar boven, maar hel en verdoemenis uit mijn gereformeerde jeugd. Branden in de hel was een levende angst waar ik me niet los van kon maken. En dat er geen God zou bestaan was niet te bevatten. Ik had in al die jaren rationeel afstand gedaan van deze beelden, maar diep binnenin mij waren ze nog steeds een levende werkelijkheid. 

Gelukkig was daar Maarten, die liefdevol en respectvol de oude beelden losmaakte en de vrijheid van de mens liet zien die vol aandacht en liefde  zichzelf kon onderzoeken en, wellicht, de onbekende grond tegen zou komen die elk leven vertegenwoordigt.

Dat zitten werd een reis van losweken, losweken van de oude angsten, van de oude beelden en leefregels. Ik deed het met vreugde omdat ik me eindelijk op de plek wist waar ik mijn hele leven naar gezocht had.

Ik moest er onlangs weer aan denken bij het herlezen van ‘De lege spiegel’ van Janwillem van de Wetering, jeugdsentiment optima forma. We zaten midden in de paastijd met al zijn oude beelden en gebruiken. Ik hoorde het woordje ‘hel’, er kwamen geen beelden boven en geen angsten. God de vader was inmiddels samengevallen met ‘het onnoembare’. En mijn levensvraag is er nog steeds, onbeantwoord, maar als grond van het bestaan.

Al die toespraken, al die sessies, al dat zitten, al die oefeningen, al die jaren met Maarten Houtman, ik ben hem daar diep dankbaar voor.

Klaaske Fokkens, 16 april 2023

Pauze tijdens een sessie in Eefde.
Foto geheel boven: Mongolië, Gobi woestijn, uitzicht door de achterruit van de 4 wheel drive (foto Hein Zeillemaker).

Oud en nieuw

“Dat is natuurlijk een dilemma, je wilt graag opmerken en je wilt graag dat de dingen zich aan je vertonen. En je merkt niet dat je het zó stuurt dat je of maar een klein gedeelte ziet, of ze helemáál niet ziet.
En dan zijn we terug bij een heel oud gegeven. En dat is dat wij moeilijk alles uit handen kunnen geven. Dat we, ook als we uit handen geven, dat met een bedoeling doen. En dan kan het zich niet vertonen.

Dus de vraag is eigenlijk: kun je opmerken dat je niet opmerkt. Kun je opmerken dat je stuurt. Kun je opmerken dat je, ondanks het feit dat je tegen jezelf zegt ‘ja, ik wil het ontdekken’, dan toch een notie hebt van wát je wilt ontdekken. En dan gaat het natuurlijk niet.”
Maarten Houtman, Opmerken is een kunst

Van de fotograaf bij wie ik een cursus volg, hadden we de opdracht gekregen om een foto te maken met als thema ‘oud & nieuw’.
Op 9 januari was het prachtige weer, maar wel koud. Ik besloot in de tweede helft van de middag op zoek te gaan naar het juiste plaatje. Ik had me al een idee gevormd waar ik de foto zou nemen. Dat was ons ook aangeraden: eerst je een idee vormen over het thema en vervolgens rondkijken of je een invulling aan dat idee kunt geven.

Mijn idee was een foto te maken vlakbij het punt waar de oude Buiksloterdijk op de weg naar de Van der Pekstraat botst. Daar staat een oud café, met op de achtergrond een hoge torenflat aan de overkant van het Buiksloterkanaal: het Overhoeks. Maar bij het zien van die combinatie, hoefde ik niet eens mijn fototoestel uit zijn tas te halen. Ondanks een naar de horizon neigend licht, was het niks.

Op de Buiksloterdijk wurmde een koude wind zich in mijn handschoenen, dan maar eerst een koppie doen in EYE. Ik fietste de Buiksloterweg af in de richt richting van het filmmuseum. Het was er geweldig druk. Verder dan een bezoek aan het toilet kwam ik niet.
Op de wc bedacht ik me dat er toch iets in Overhoeks moest zijn, waar ik het nieuwe met het oude kon verbinden.
Er wordt flink gebouwd in Overhoeks – ik fietste over de met betonplaten aangelegde wegen, tussen de zand- en steenhopen door, op zoek naar een doorkijkje naar de Van der Pekbuurt, waar huizen staan uit 1910. Ik zag verschillende doorkijkjes, maar ze kwamen niet tot leven, ik hoefde mijn toestel uit zijn tas haalde.

Dan maar naar het voormalig laboratorium van Shell. Daar bevinden zich allerlei start-ups van jonge ondernemers, die iets nieuws uitproberen. Misschien kon ik iets met die combinatie.
Maar het thema ‘oud en nieuw’ lag duidelijk niet op straat. Ik besloot om via de Tolhuistuin naar huis terug te keren en een e-mail te zenden naar de fotograaf, om haar te vertellen dat ik niet in staat was geweest om de opdracht uit te voeren.
In de tuin moest ik, om bij de uitgang aan de andere kant te komen, omrijden; een trapje versperde de weg. Plotseling werd ik getroffen door het lage zonlicht op een relatief oude boom, en de spiegeling van lucht en bomen in het glas van een gebouw dat men bezig is te bouwen. Maar ik was er te ver van af om daar een mooi plaatje van te maken. Gelukkig had ik mijn oude toestel bij me, zodat ik het beeld iets naar me toe kon halen.

Rien Heukelom, 9 januari 2024 

Notitie bij Opmerken is een kunst

Simone Weil
‘Wachten op God’

✏️ NOTITIE bij ‘Het grote Wachten’ van Maarten Houtman

Als telg van een gereformeerde familie heb ik heel wat dominees voorbij zien komen. Ook die van ver moesten komen en bij ons als logé of gast aan tafel verbleven. ‘Dat zijn de besten’, heette het, de eigen dominees wekten niet zoveel geestdrift op.
Dat veranderde, toen er in 1955 een nieuwe voorganger kwam met een duidelijk afwijkend profiel: dominee Valkhoff. Hij was een nog jonge man, begin dertig, die met zijn exotisch ogende vrouw en kinderen zijn intrek nam in de pastorie.
Ds. Valkhoff was een bevlogen man. Dat alleen al wekte de nodige weerstand op onder de gemeenteleden … hij was ongewoon … was hij wel ‘één van ons’?
Nee, dat was hij niet. Ik hoorde al gauw van mijn vader – die ouderling was – wat zijn achtergrond was: Valkhoff was een zogenaamde ‘bekeerde Jood’. Hij was dus niet iemand aan wie het kerklidmaatschap van generatie op generatie doorgegeven was en die, zoals wij, vlak na de geboorte gedoopt was. Hij was iemand van buiten, die bewust voor de kerk en het Christendom gekozen had. En bovendien ook nog een speciale roeping had – wat de ijver die hij als predikant aan de dag legde wellicht verklaarde… Hoe dan ook, er waaide een frisse wind in de gemeente.
Reinhard Valkhoff werd bij ons thuis op handen gedragen… Eindelijk een zielenherder die vanuit z’n hart sprak, niet vanuit vooropgezette ideeën en dogma’s. Hij had ook mijn sympathie en ik belandde bij hem op catechisatie, ook al werd ik uiteindelijk geen ‘belijdend lid’. Daar liet hij je vrij in.

Ik moest hieraan denken, toen ik onlangs de vertaling van Attente de Dieu van Simone Weil ter hand nam. Ook zij was een ‘bekeerde Jood‘, die – net als mijn dominee Valkhoff – uit een welgesteld intellectueel milieu kwam, maar welbewust een weg koos tegen de stroom in.

In de NRC van 18 november 2018 wijdde Maarten van der Graaff een artikel aan ‘De filosofe die koos voor een leven als fabrieksarbeider’:
“Het werk van de Franse Weil laat je voelen wat de onderdrukten voelen. Vijfenzeventig jaar na de dood van de filosofe en mystica is het actueler dan ooit.”

Simone Weil op 12-jarige leeftijd, 1921

Weil schrijft in Wachten op God over ‘aandacht als liefdevolle houding’, die zichtbaar maakt wat aan het zicht onttrokken wordt door de willekeur van machtsrelaties. Die aandacht komt voort uit wachten, uit stilte, een ‘passieve activiteit’, die ze ook aantreft in de Bhagavad Gita en bij Lao Tse.
Weil gebruikt er het het klassiek Griekse begrip εν υπομονη voor: ‘wachten in geduld’.

Bij Maarten Houtman kwam ik het tegen als Het grote Wachten – de huidige ‘Toespraak v/d maand’.

Weil noemt deze liefde tot de schone orde der wereld – die zij trouwens node mist in het Christendom – ‘een aanvulling op naastenliefde’. We leven in een droom, zegt ze, en wie wakker wil worden en ‘de ware stilte’ wil vernemen, moet afstand doen van zijn denkbeeldige centrale plaats in de wereld:

Er bestaat een realiteit buiten de wereld, dat wil zeggen, buiten ruimte en de tijd, buiten het mentale universum van de mens, buiten elke sfeer die toegankelijk is voor menselijke vermogens. In overeenstemming met deze realiteit, is er in de kern van het menselijk hart een verlangen naar het absolute goede, een verlangen dat er altijd is en nooit wordt gestild door enig object in deze wereld ….
Die realiteit is de unieke bron van al het goede dat in deze wereld kan bestaan: dat wil zeggen, alle schoonheid, alle waarheid, alle gerechtigheid, alle legitimiteit, alle orde, en al het menselijk gedrag dat zich bewust is van verplichtingen ….
Hoewel het buiten het bereik van menselijke vermogens ligt, heeft de mens het vermogen om zijn aandacht en liefde hierop te richten ….
Simone Weil, Profession of Faith - Draft for a Statement of Human Obligation  (1943)

Maarten van der Graaff eindigt zijn artikel als volgt:
“De ideeën van Simone Weil over arbeid, aandacht en het decentreren van de eigen ervaring, zijn een bron van weerstand tegen de mens als middelpunt van een maakbare wereld, waar hij, door onderwerping van mens en dier, tot de laatste snik winst uit wil persen.”

Tot slot een passage uit de toespraak ‘Het grote Wachten’ van Maarten Houtman, die een zekere parallel laat zien met het denken van Simone Weil:

Dat we nu deze sessie hier uit zijn gekomen, is een groot iets. Ongetwijfeld heeft het invloed op ons allemaal, doordat we onze aandacht er aan gegeven hebben. Daar ben ik jullie allemaal heel dankbaar voor. Dat is iets wat heel direct uit het innerlijke hart is gekomen en dat is altijd iets heel erg groots.
Maarten Houtman, Het grote Wachten (slot)

Hein Zeillemaker
(Eerder verschenen als ‘Een heilige voor Frankrijk’, Zen als leefwijze Blog,12 december 2018).