Licht en schaduw

Foto Hanna Mobach
Ik heb van verschillende kanten, onafhankelijk van elkaar, iets heel belangwekkends te horen gekregen. En dat is dat toen ik over compassie gesproken heb, we toch binnen het denken bleven. En dat ook de woorden die ik gebruik: ‘de wegen van het bewustzijn’, ‘het opmerken hoe je bewustzijn werkt’, vervreemdend werken, dat daar een dimensie in ontbreekt. En nog erger, dat het zich zo niet voordoet.
Toespraak september 2023
✏️ Notitie
maartenhoutman.nl/archief
Huissen juli 1993 | Donderdag
Inleiding
[download]

En nu herinner ik me plotseling uit mijn jeugd, ik zal een jaar of zes geweest zijn, dat ik de oude tuinman op de plantage paaltjes zag aanpunten. En ik was net in die tijd aan het leren met een kapmes om te gaan, dus het was voor mij een zaak van levensbelang hoe hij dat deed. Ik wou dat ook kunnen. En ik had een kapmes gekregen, een echt kapmes, een groot kapmes, niet een kleintje, maar een echt groot kapmes. Dat was voor mijn kracht natuurlijk toch een beetje boven mijn macht, maar ik wou dat kunnen.
Hij had me er wel eens iets van verteld, maar omdat het een wijze man was – wij vinden dat dan een onderontwikkelde man, maar het is een hele wijze man – pakte hij mijn hand en zei: “Kom nou maar.”
En hij had zijn hand over mijn hand en toen deed hij dat kappen, en toen voelde ik dat. En na een poosje, dat was heel knap van hem, toen nam hij zijn hand weg en toen deed ik het zelf. 

Wat was er nou gebeurd. Hij had het niet alleen voorgedaan, hij had niet alleen laten zien hoe het gaat, maar hij had zijn hartewarmte in dat pakken van die hand, in dat meegaan, medegedeeld. Zijn eigen vermogen, zijn eigen leven, ging over in mijn hand. En ik voelde dat dat kon gebeuren.

Dat kan ik natuurlijk met jullie niet doen. Ik zou het heel gráág doen, maar ik kan het niet doen. Ik kan jullie alleen beschrijven hoe het werkt. En ik kan alleen proberen om zo nauwkeurig mogelijk aan te geven hoe die dingen kunnen plaatshebben.
Dan is het meest opvallende eraan dat je er niet over denkt. Dat je als het ware alleen maar op de achtergrond weet dat alle dingen, letterlijk alles, in onszelf en in de wereld, verbonden zijn. En dat dat heel lieflijk is. Dat het iets is als een bloem die opengaat op de eerste stralen van de zon die de aarde raken, terwijl de bomen en de planten nog in de windselen van de nacht zitten en de dauw er nog is, dat hele fijne parelende laagje. En dat de zon dan komt en het leven wat zich in de nacht teruggetrokken heeft, tevoorschijn kust, de hele wereld, ook de mensen die erin zijn. Ook al hebben ze zich opgesloten in huizen die zon nauwelijks toelaten, zeker in de steden, gebeurt dat elke dag weer opnieuw.

En in die wereld waar de zon langzaam in begint te schijnen, zijn natuurlijk schaduwkanten. Maar die schaduwkanten zijn er bij de gratie van het licht van de zon. En de schaduwkanten maken het je mogelijk om iets duidelijker te zien, omdat het licht van de zon vaak zo sterk is. Dat je het heel duidelijk kunt zien, daarvoor zijn de schaduwkanten. Maar het woord ‘schaduw’ is voor ons negatief, dat is iets in de schaduw – het zou eigenlijk in de zon moeten zijn. Waarom zou het in de zon moeten zijn? Die schaduw is iets heel wezenlijks, het maakt dat je, ondanks die overweldigende hoeveelheid licht en al die kleuren en al die vormen, even rustig kunt zijn bij wat daar in de schaduw misschien nog een beetje ligt te dromen. 

En dat is heel erg nodig, dat je kunt dromen, dat je dat wat zogenaamd in de schaduw is, als een rustplek ziet waar je onopzettelijk als een kind kunt zijn, ongehaast. En die hele bonte wereld om je heen niet zó bekijken, dat alle vormen scherp zijn, alles verdeeld is, maar daar dromend in de schaduw die bonte verlichte wereld voelt. Je ziet hem niet meer in zijn verdeeldheid, maar je voelt dat hij er is, en dat jij in de schaduw daarbij hoort. Je hoort er helemaal bij, al weet je niet hoe, het is er gewoon. En je bent vergeten wat de psychologen en de filosofen over de schaduwkant te vertellen hebben. Die schaduw waar je nu in bent is een totaal andere schaduw, het is de schaduw van de verbondenheid, van het én in de schaduw zijn én die hele grote wereld die er is in zijn niet-verdeelde toestand voelen, ervaren. De wereld waar de dichters over spreken, die wereld waar de muziek uit voortkomt, die wereld die je niet pakken kunt. 

Als je te scherp kijkt, valt hij uiteen, is hij plotseling weer alles op zijn plek, alles los van elkaar, alles te begrijpen, alles om over te kunnen redeneren en te kunnen discussiëren.
Niet dat dat niet nodig is, natuurlijk niet, dat is een van onze vermogens. Maar het is droog, verdroogd en onwerkelijk, als daar niet dat gevoel vanuit de schaduw meekomt – die al die gedeelde vormen, al die onderscheidende kleuren, al die werkingen, verbindt tot iets wat warm en zacht is. Iets wat je zelf, als je dat ervaart, doet zeggen (dat spreek je misschien niet eens uit, dat doet er niet toe):
‘Het was wel akelig wat daar gebeurde, en het was misschien heel erg akelig wat er in mijn leven gebeurde, maar dit is het. En ik kan het niet zien, ik kan het niet definiëren. Ik kan het alleen maar merken als ik argeloos ben, als ik niet bang ben voor de schaduw, als ik begrijp dat de schaduw mij de mogelijkheid schenkt om te voelen hoe die wereld is. En dat d
e wereld van de vormen die je kan onderscheiden, kleuren die je kan verdelen, de afstanden die je kan meten, de grootte-verschillen die je kan opmerken, dat die wereld niet de echte wereld is. Dat is de wereld die we zien door het oog van ons denken.’

Misschien is wat ik nu zeg een beetje een aanvulling, een correctie, op wat ik voordien gezegd heb. Zodat je gaat beseffen dat je er dus niet over denken kunt. Het hoogste wat je denken je kan brengen – en dat is fantastisch – is dat je denken beperkt is. Je denken heeft te maken met die hele heldere wereld, waar alles onderscheiden is. En waar je je heel makkelijk kunt identificeren met een bepaalde sector daaruit. Duidelijk. Maar die sector bestaat bij de gratie van de verbondenheid die alles, de hele schepping, verbindt. 

Ik heb dat als heel klein jongetje ook al geleerd op een hele andere manier, veel gevoelsmatiger, maar heel duidelijk. Dat is een probleem voor me geweest, wat me mijn hele leven heeft begeleid.
Achter het grote witte huis op de plantage was een strookje zand waar de ananasaanplant begon en daar waren de mierenleeuwen. Dat zijn beestjes die kratertjes maken, ze trekken zich in de grond terug en maken kratertjes. Die kratertjes brengen ze aan op de vaste weg die mieren nemen. En dan komen die mieren aanlopen en soms glijden ze in dat kratertje. En zodra er een mier in dat kratertje begint te glijden, werpen ze zand op – ze zitten helemaal in de onderkant van de trechter en dan werpen ze zand op. Ja, en dan duikelt die mier, glijdt langzaam maar zeker naar beneden, die kan er niet meer uit omdat ze dat zand opwerpen, en dan wordt hij opgegeten.
Daar heb ik heel lang naar zitten kijken en ik had allerlei plannetjes beraamd, want ik vond dat zielig voor die mieren, dus ik probeerde ze om te leiden. Ik probeerde een weggetje te maken zodat ze anders zouden lopen. Maar niks hoor, die mieren bleven gewoon hun baan volgen en dat betekende dus dat er elke dag enige honderden  mieren – want er waren een heleboel van die trechtertjes –  eindigden.
Ik vond het afschuwelijk dat dat gebeurde. Maar ik leerde dus ook dat je daar niks aan kon doen. Maar – jullie zullen er om lachen – ik heb daar wel een paar dagen bij zitten huilen…

Eigenlijk heb ik toen, als heel klein jongetje, iets begrepen van de functie van de mens in de schepping. Ik heb het later bij Boeddha teruggevonden. Dat is dat we alles wat gebeurt, de menselijke dimensie kunnen geven.
De hele natuur maakt duidelijk dat de ene soort leeft ten koste van de andere soort. En ook wij leven ten koste van andere organismen, waarvan wij leven. En laten vegetariërs nu niet denken dat ze zo vreselijk veel beter zijn, want zij leven ook van de meest prachtige gewassen, die ze moeten doorsnijden, die ze moeten koken en opeten.
Maar een mens kan merken wat er gebeurt, een mens kan compassie hebben met het onvermijdelijke. En daarmee verandert de onvermijdelijkheid. 

Ik heb jullie al verteld dat een mens die gemarteld werd, uit zijn lijden geholpen werd.[1] En ik denk dat wij allemaal, ieder op onze plaats en ieder in onze situatie, mens kunnen zijn doordat we beseffen wat er gebeurt. En dat we proberen de angst, het leed van de vernietiging in onszelf te verzachten. Erbij te zijn, het op te merken. Zonder sentimentele verhaaltjes, maar gewoon, erbij te zijn.
Ik heb nooit in mijn leven meer werkelijk gevoel gehad dan toen ik de stervenden moest begeleiden in hun laatste uren. Toen had ik het gevoel: dit is werk, dit is echt, dit kan nooit meer kapot!
Zo duidelijk, dat je een functie hebt. En dat is niet alleen het wegvegen van de ontlasting, dat is het erbij zijn. Zodat die mens die in zijn laatste uren is, een metgezel heeft – niet een vreemde metgezel, een hele nabijzijnde metgezel, ondanks het feit dat ik misschien die stervende voor die tijd nog nooit ontmoet had. Want dat heeft een mens nodig, alle levende wezens hebben dat nodig, maar een mens helemaal. Die heeft nodig het gevoel van nabijheid, het gevoel van, wat er ook gebeurd is tussen jou en die ander, je blijft nabij. Je ziet dat er een gevoel is dat alles overkoepeld.

En ik weet wel, zo in die situatie die ik had met die stervenden, is dat vrij gemakkelijk. Maar als je lang met iemand leeft, dan zitten er vaak van die scherpe splinters in het vlees van je gevoel. En soms zijn het etterende wonden geworden. Dan vraagt het dus een veel grotere compassie om daar overheen te zien, dat die ander eigenlijk, ook al weet hij het niet, naar jou reikt. Hij uit het misschien in boosheid, in onvermogen, in wegkijken, in zwijgzaamheid, in verwijt, maar eigenlijk reikt hij naar dat overkoepelende. Dat helemaal niet meer te maken heeft met dat kleine korte leven waar we allemaal instaan, maar wat altijd maar een ademtocht is in het grote geheel – ‘in’ dat is de geboorte, en de uitademing is het sterven.

En dat je dat probeert te blijven beseffen. Zodat je al de mensen die naar jouw gevoel zo onverschillig voor je zijn geweest, die jou niet gezien hebben, die jou alleen gelaten hebben, opneemt in dat besef dat ze er ook bijhoren, dat ze er misschien geweest zijn om dat besef bij je te wekken. Terwijl het allereerste wat in je opkomt natuurlijk boos zijn is, terugslaan, of zo verdrietig worden dat je wanhopig bent en dat het je leven beklemt en je klein maakt.

En zoals de schaduw er is om jou in staat te stellen al die vele, vele vormen te vergeten en te voelen dat die schijnbaar verdeelde wereld één is en zich alleen toont in zijn onderscheidenheid, zo is verdriet heel vaak een mogelijkheid om te beseffen wat die eenheid is als je over het verwijt, de boosheid, heen bent en voelt dat het goed is.

En dat jouw aandeel erin bestaat dat je in jezelf levend wordt – wat je voelt, wat je voelen kunt. Dat het oneindig veel belangrijker is dan dat je helder ziet wat er gebeurt – hoewel dat ook nodig is, natuurlijk. Maar dat je ziet dat het onvermijdelijk is dat er leed is. Dat sterven en geboren worden bij elkaar horen. Dat elkaar vinden en weer uiteengaan, bij elkaar horen. En dat het gaat om de tijd die je gegund is om bij elkaar te zijn, dat je dan ook echt bij elkaar bent. Dat je de verdeling, de fragmentatie, die er is, ziet in zijn zoheid, nodig, onvermijdelijk, maar niet het allerlaatste, niet het bepalende, niet het richtinggevende.
Dat andere, dat niet zichtbaar is. Terwijl het er is, terwijl je voelt dat het er is, is het niet zichtbaar, kun je het niet aan een ander verklaren. Je kunt het alleen zó sterk in jezelf gaan voelen, dat het misschien voor een ander ook voelbaar wordt, voor een ander mens. Maar zelfs een ander ding: het huis waarin je leeft en wat jij ingericht hebt, waar je dingen op zijn plaats gezet hebt, niet helemaal alleen maar volgens ruimtelijk inzicht, maar ook omdat je hart erin meespeelt. Want je huis geeft antwoord op jou die erin leeft. Dat antwoord komt bij jou terug, en als je er gevoelig voor bent, geef jij weer een antwoord. Dat is dus iets levends.

Ik heb het expres over zoiets voor ons vreemds als een huis, een kamer, een werkruimte. Die zo gewoon is, waarover we spreken in de zin van banken en stoelen en kasten, alsof dat iets is wat je kunt plaatsen en weghalen. Maar het is een leven, het is een leven van verhoudingen. Zodat je soms in een huis komt waar je het gevoel van hebt: wat heerlijk, ik zou hier lang willen zijn…
Dat zegt iets over de bewoners. Dat zit niet in geld. Sommige huizen, sommige kamers, daar heb je het gevoel van: nou ja, ik moet er zijn…
Dat is heel anders.

Waarmee ik maar zeggen wil, het is overal in. In het nietigste wat je doet. En daar hoef je niet bij na te denken, dat is een kwestie van voelen. Dat is een kwestie van je eraan geven, jezelf weggeven.
Dat doen we niet graag, want dan ben je heel kwetsbaar, zeggen de mensen dan. Als je jezelf weggeeft, als je laat blijken wie je bent. Maar ik denk dat je véél en véél kwetsbaarder bent, en vooral ongelukkiger, als je je niet weggeeft, als je op je stuk staat, op je strepen staat, als je je recht eist, als je de wet vervult – zoals ze in de talmud zeggen: bitter wordt opgemerkt.

En je bent het meest kwetsbaar als je doet alsof de zienlijke wereld, die onderscheiden is, het enige is. Want die zienlijke wereld, die onderscheiden is, sterft voortdurend. Terwijl de onzienlijke, de overkoepelende, de tijdloze wereld waarvan wij mensen zijn gemaakt, alles weer heelt. Waarin geboren worden en sterven naadloos in elkaar overgaan en elkaar ook nodig hebben. Want er zou nooit vernieuwing kunnen zijn, als er niet een sterven was, waarin de verbruikte energieën in het zogenaamde ‘zwarte gat’ kunnen verdwijnen – het is voor ons een zwart gat, maar het blijkt zelfs in de natuurkunde dat die energieën elders weer opduiken, soms lichtjaren verder.

Dus sta hier alleen maar bij stil, het is heel eenvoudig. En laat je niet van de wijs brengen door de fragmentatie in de wereld. Die fragmentatie is de evolutie, die het ons mogelijk heeft gemaakt om te onderscheiden, om te definiëren. Dat is een groot goed, dat dat mogelijk is, dat wij de causale werkelijkheid kunnen beseffen, dat we oorzaak en gevolg kunnen zien.
Maar nogmaals, dat blijft levenloos, als dat niet tegelijkertijd gezien wordt als een fase van het bewustzijn. Maar dat al die tijd, vanaf het begin van de tijd – dat is in ons bewustzijn – die andere werkelijkheid, die eigenlijk de enige is, ons begeleid heeft, altijd weer. En dat we daarin dus blijven leven, wat er ook gebeurt.

En ik heb het nu een beetje in woorden gekleed, dat is heel gebrekkig. Maar misschien dat de bedoeling, dat wat het draagt, toch tot jullie gekomen is.
Dan hoop ik dus dat ik die correctie die zo nodig was, niet te laat heb aangebracht.

naar boven

Gesprek (fragment)

A.: Ik vond je verhaal van de tuinman heel mooi, ook omdat het zo teder was. Het is een beweging van binnen naar buiten en weer terug. 

– Maarten: En ook: het is heel simpel. Het is heel opmerkelijk dat het meestal heel simpel is.

– A.: Het aardige is dat het buiten het denken valt. 

– Maarten: Ja, en waar ik me toen als kind over verwonderd heb, dat ik het moment niet gemerkt heb dat hij zijn hand terugtrok. Dat dat naadloos was, dat het gewoon verder ging en dat ik na een poosje merkte dat ik het zelf deed. Dus dat er ook niet het moment was van de wetende, die afscheid neemt. Dat gaat naadloos in elkaar over. 

– A.: Heb je het gevoel dat in Indië, waar jij opgegroeid bent, dat vermogen veel meer aanwezig was.

– Maarten: Ja, maar het werd niet opgemerkt als bijzonder. Zo ging dat. En ik denk niet dat het nu nog zo is. Ik ben bang van niet, omdat ze zich nu van een heleboel bewust zijn. En ik denk dat dat ook weer onvermijdelijk is, dat we niets kunnen overslaan, dat die fase waar wij nu in zijn gewoon noodzakelijk is.
Maar in die tijd was het heel vanzelfsprekend. Zoals ook wat wij hier ‘helderziendheid’ noemen, het zien van de verschillende lichamen van de mens en de samenhang daartussen en het verloop daarbinnen. Daar werd gewoon over gepraat, alsof je het over een kommetje had. Het was onbelast, en degene tegen wie dat gezegd werd, wist dat. Terwijl hier ontstaat onmiddellijk commotie als je aan die terreinen komt, hier is het sensationeel. Maar het was een heel ander soort leven, ik denk dat met name deze kant, de onzienlijke kant, behoorlijk verloren zal zijn gegaan.
Naar wat ik gehoord heb van mensen die later terug zijn geweest in de streek waar ze voor die tijd gewerkt en geleefd hebben, is dat ook allemaal helemaal verdwenen. Bijvoorbeeld transistors zijn voor iedereen bereikbaar. Dus de hele nacht – want daarin zijn ze ook veel rigoureuzer dan wij –  blèrt dat door in de kampong. Zulke simpele dingen. Ze kunnen elektrisch licht maken, dus het hele ritme van de nacht, van het slapen gaan, van het ter ruste begeven, ingaan tot het andere, dat ontbreekt nu.
Ik denk dat we ons daar allemaal bewust van moeten worden. Dat het iets anders is dat we nodig hebben, dat we dat allemaal verliezen, maar dat we op den duur zo geweldig droog en leeg komen te staan, dat we het weer terug zullen vinden. Ik denk dat het nodig is dat we het verliezen. Daar gaat die oude joodse overlevering eigenlijk over, die het heel scherp formuleert en zegt:
‘De mens begeeft zich van God af, met alle dingen van de schepping. En dat betekent dat hij steeds minder die verbinding voelt met het overkoepelende, met het geheel, met het verbondene, dat hij dat steeds meer verliest. En niet alleen de mens, maar alle dingen in de schepping. Maar – zegt dan die joodse overlevering – de mens is de enige (ik weet niet of het zo is, maar het lijkt me heel waar) die, terwijl hij zich aan het verwijderen is, dat kan beseffen en terugkeren. Terwijl de schepping moet die hele cyclus doorlopen van weggaan en terugkeren. Dat is veel en veel langzamer.’

– B: Iemand zei eens tegen me: ‘God geeft het zijn beminden in de slaap.’ Maar dan moet je er wel voor zorgen dat je kwaliteit van slapen goed is, dat je uitgerust bent, dat je slaapt. Dat betekent toch dat alles niet zomaar vanzelf komt. Dat je er toch wat voor moet doen. 

Maarten: Maar als die verbinding er is, dan heb je er ook behoefte aan om er iets voor te doen.
Ik herinner me toen ik een klein jongetje was en mijn moeder me op de plantage moest leren schrijven, dat ze daar a men’s job aan had, want ik was altijd weg op het moment dat dat gebeuren moest. Dan was ik weg op het paardje, daar zorgde ik wel voor.
Dat was een vrij onmogelijke situatie voor mijn moeder. Daar is ze ook wel eens wanhopig over geweest. En als ik dan thuis kwam kreeg ik op mijn duvel en kroop ik onder het bed en dan kon ze niet bij me, dan moest ze de zweep gebruiken om me er onderuit te halen. Dat was echt niet mis wat die vrouw met me moest doorstaan.
Toen op een keer, merkte ik dat mijn ouders elkaar uit de krant voorlazen – die een week na verschijnen bij ons kwam – ze vertelden elkaar dan van een wereld die ik helemaal niet kende. En dat was fascinerend voor me. Dat wou ik ook kunnen, ik wou ook kunnen lezen. Nou, binnen een maand was het gepiept.


[1] Zie de toespraak van zaterdag: ‘Zorg dat de beweging niet gestremd wordt’

Foto bovenaan: Hanna Mobach.

naar boven

< terug naar Toespraak v/d maand