Amersfoort juli 1984 | Zondag
Gisteren in het gesprek zijn we plotseling gekomen op een punt waar in de kloosters in Japan alle moeite voor gedaan wordt. Vandaar de koan, vandaar het lange zitten, vandaar de strenge discipline. En wat is dat punt? Dat punt is dat je door het circus van je leven gezakt bent.
Het leven wat wij leven, zo normaal, dat natuurlijke leven wat we allemaal heel goed kennen, dat blijkt op een bepaald moment in je leven onwaar te zijn, niet meer geldig, kinderachtig, verleden tijd. Je merkt dat waar je je leven lang mee bezig bent geweest, in je relaties, in situaties, in veroveringen, in nederlagen, dat het allemaal een voorspel is. Dat het niet het is waar het om gaat.
Dat nu het moment is aangebroken, dat je daar niet meer op terug kunt vallen. Dat je je ook daar niet meer tegen kunt verzetten, want het heeft geen zin. Het is leeg.
En dat is een belangrijk moment. Want zonder dat je het weet, kun je dan twee dingen doen. Je kunt er voorgoed mee afrekenen. En je kunt op een of andere omweg terug naar dat voorlopige, naar dat voorportaal. Daar kun je naartoe terug. Want dat gebeurt meestal.
En wat kan je helpen om niet terug te gaan naar het circus?
Dat is van beslissende betekenis. Wat kan je daarvan behouden? Want je hebt het gevoeld, je hebt het niet alleen gezien, maar je hebt het gevoeld. Het is te weinig, het is te kort. Dat alles wat ik opgebouwd heb, beleefd heb, gevoeld heb, gedacht heb vooral, het rijkt niet meer.
Dat heb je een moment heel duidelijk gevoeld. Want het heeft je ongelooflijke pijn gedaan. Je bent misschien wanhopig geweest.
Wat gebeurt dan meestal? Meestal gaan we terug. We gaan terug naar de corridor van conflicten, kleine vreugde en veel zorg en bezorgdheid. Daar gaan we meestal naartoe terug. Omdat we het niet uithouden in te zien, te blijven inzien, dat het te kort is.
Het zintuiglijk instinctieve leven herneemt zijn rechten en voordat je het weet ben je op een andere manier terug. Dat leven wat je zo goed kent en wat je blijkbaar toch zo dierbaar is, dat je erin terug glijdt.
Als het een kwestie is van een relatie, een relatie weer met een ander. En zo vervolgens. Het is niet voor niks dat de mensen honderden levens hebben.
Want het is ook niet voor niks. En dat in zijn kloosters zo ontzettend de nadruk gelegd wordt op dit moment. Zodat ze er alles voor over hebben.
Wat kan je dan helpen? Het allereerste, het allerbelangrijkste, het meest fundamenteel is dat je blijft inzien dat je niet terug kúnt.
Want als je dat blijft inzien – het betekent dus niet dat je iets in kunt zien vandaag voor je hele leven. Maar dat betekent dat je het elk moment opnieuw inziet.
Opnieuw voor jezelf vaststelt. Het kán niet. Dan heb je namelijk niet nodig wat altijd gebruikt wordt. Namelijk een wilsinzet om te blijven oefenen. Ik bedoel nou niet het bankje, maar te blijven oefenen, in de werkelijke zin. Als je het inziet heb je die dwang niet nodig.
Als je voor de afgrond staat, dan neem je die stap niet dat je erin valt. Dan hoef je jezelf niet toe te dwingen. Dan hoef je geen discipline voor te gebruiken. Dan hoef je niks voor te doen, alleen maar in te zien: ik sta voor de afgrond.
Dan is het moment dat je stilstaat. Dat je dus niet meer iets doet. Dat je niet meer iets overweegt. Dat je niet meer iets onderneemt. Dat je niet meer iets betreurt.
Dat je eindelijk stilstaat. En probeert tot besef te komen wat aan de hand is.
En dat is fundamenteel, dat die noodzaak in jou blijft leven. Want dan zul je oefenen. En dan zul je alles aangrijpen wat je tegenkomt om te oefenen.
Dan hoef je niet meer op een leraar te wachten. En op een gunstige situatie, dan oefen je. Dan gaat het de hele dag door.
Dat is nou net dat waar ze het in Zen altijd over hebben. Dat je hele dag eraan gewijd is. En dat is dan zo.
Dan zit je niet meer te mouwen over welke leraar zal ik nemen. De eerste de beste die zich voordoet. Het eerste het beste boek wat jou écht iets zegt.Dat grijp je aan. En je probeert het.
En je hebt niet eens meer een gedachte van waar zal het naartoe gaan. Dat interesseert je geen lor, dat is verleden tijd.
Maar één ding weet je heel zeker: ik moet nu oefenen. Want ik kan niet terug. Ik kan niet terug … dan val ik weer in die oude brei die ik zo goed ken.
Dan wordt oefenen, wordt je leven – en dan is er heerlijk geen enkel doel meer,
je hoeft niet meer iets te bereiken, totaal niets.
Je weet het, dit is het enige wat mogelijk is. Net zo goed als dat je in het water valt en dat je zwemmen moet. Dan beredeneer je niet meer, dan zwém je. Of je verdrinkt. Zo is het. En daar gaat het om.
Want dat is de enige positie waarin je echt oefent. Dan is eindelijk die calculatie machine in jezelf, stilgevallen. Dat lebber-apparaat, wat je je verhindert om te doen.
En dan merk je, dat dat oefenen niet simpel genoeg kan zijn. Dat het inderdaad erom gaat om dat lichaam in een positie te brengen, dat het stil en leeg is.
Dat je zonder moeite, met je adem diep beneden kunt rusten. Zodat in ieder geval dat lichaam, niet in die half toestand is, van verzet, van kramp, van berekening.
Want ook je lichaam berekent van allerlei, het heeft zo zijn eigen gangetjes. En het moet terugkeren naar de basis.
Naar de basis van voordat je aan je leven begon. Zodat het weer in ritme is met alles, van de kosmos.
Ondanks het feit dat we in steden leven. Dat we eindeloos veel mechanisch kabaal om ons heen hebben – onecht kabaal – kan dat lichaam terug naar de oorsprong, naar zijn ritme.
En je weet dan – daar hoeft niemand je meer toe te dwingen – je weet dan dat dat inderdaad de eerste stap is.
En daar kun je iets aan doen, aan dat lichaam. Maar dat zit niet in die bovenkamer, dat is nog heel eerlijk. Dat is de basis.
En in die basis moet je oefenen, vanuit die basis moet je oefenen. Oefenen in dat veel ingewikkelder strijdtoneel van het leven.
Want ik hoef het jullie niet te zeggen, met alle vriendelijke woorden die we elkaar, ook oprecht, toevoegen. Het is een gevecht van iedereen tegen iedereen. Iedereen probeert zijn kleine doelstelling te bereiken. Wat het ook mag zijn. Georganiseerd of ongeorganiseerd. Doet er niet toe. Maar we zijn niet samen, we horen niet bij elkaar. We zijn altijd afgescheiden.
Er zijn momenten dat we het gevoel hebben dat we bij elkaar horen. Dat is heel gelukkig. Dat herinnert ons eraan waar het eigenlijk om gaat.
Maar…. we weten dan – en we gaan het dan ook geleidelijk aan ervaren, gewoon lijfelijk ervaren – dat we alleen vanuit de basis van een stil en leeg lichaam, kunnen gaan ervaren waar het om gaat. Dat we voor het eerst, midden in een probleem, een zonnevlek kunnen zien op een raamlijst. Die ons totaal onttrekt aan die kleine, zenuwachtige, oneigenlijke wereld waarin we leven. Maar dat kan alleen bij de gratie van een stilte en een leegte in jezelf.
Waardoor je plotseling als het ware teruggetrokken wordt naar je eigenlijke oorsprong.
En je kunt, midden in een gesprek, plotseling het wuiven van een boom zien, die dat alles om je heen verandert in iets groots. Waarin het gesprek wel opgenomen is, maar niet alleen zaligmakend. Waarin het een plaats gekregen heeft in een totaal. Waarvan je ook op dat moment beseft dat het je ontgaat. Maar dat het een totaal is, wat alles omvat. Waarin je al die theorieën die je in je leven wel gehoord hebt – misschien zelfs ook geloofd hebt – waarin die plotseling als een leeg pluisje wegwaaien.
Want je merkt dat je alleen bent. Volstrekt alleen.
Je hebt altijd gehoord, van alles en iedereen, dat het zo alleen is. En zo berdrietig is. Je merkt dat het gewoon niet waar is. Dat alleen zijn de poort is naar een totaal andere verbondenheid. Een verbondenheid, die al je relaties, al je verhoudingen, je hele betrekking tot het leven, fundamenteel verandert.
Waarin je voor het eerst ter beschikking bent voor iedereen die daar behoefte aan heeft. Dat je geen eigen voorwaarden meer hebt voor een relatie. Waar je steeds dieper gaat beseffen, dat ter beschikking zijn een hoog goed is. Want dat het niets te maken heeft met altruïsme en al die andere onzin. Dat het niets te maken heeft met liefde voor iedereen, zoals we dat geleerd hebben. Maar dat het een waarde op zichzelf is, waaraan jij te voldoen hebt.
Ter beschikking zijn, zonder offer. Niet met dat gejengel over het offer, zolang dat aan de hand is, is het onecht. Er zit geen offer in, het is het enig mogelijke. Daarvoor zijn wij gemaakt, om ter beschikking te zijn. En daarin kunnen we creatief zijn.
Wij kunnen creatief zijn in het ter beschikking zijn. Maar niet als een opgave.
Niet als een plicht. Niet als iets wat je moet bereiken. Maar iets heel natuurlijks, zoals je ademhaling.
Maar dat kan alleen, als je door het circus heen gevallen bent. En als je ziet dat je niet meer terug kunt. En als je gemerkt hebt dat oefenen het méést simpele is wat er is. Dat er niks verhevens aan is – het is een noodzaak, zoals je zwemmen moet als je in het water valt.
Maar dan begin je waardering te krijgen voor al die aanwijzingen, die er gegeven zijn, geleidelijk aan, in de loop van duizenden jaren, om te oefenen.
En je pelt er vanaf, wat er allemaal voor onzin aan zit. Want er zit nog een heleboel onzin aan. Iedereen die oefent, voegt daar wel iets aan toe. Het is helemaal niet erg. Maar ja, als je een keer de helderheid hebt van waar het om gaat, kun je dat ook zonder hartzeer afpellen. Zodat je niet in een nieuw circus terecht komt. Het blijft over wat, wat de basis is.
En dan blijkt dat de basis is niet oost of west. Is niet oosters of westers. Is niet katholiek, rooms, weet ik wat, communistisch. Maar is menselijk. Is van de mens, is universeel.
Want we hebben dit lichaam. En dat lichaam heeft zijn wetten. En het heeft ook zijn mogelijkheden. En in de mate waarin we dat lichaam naar zijn oorsprong terugbrengen, kan het hoogste in onszelf, het bewustzijn, óók zijn oorsprong terugvinden.
En zijn oorsprong is stil en leeg. Met alle mogelijkheden die hij tegelijkertijd heeft.
En dat is het wonderbaarlijke, het moment dat je leeg bent, dat je stil bent, heb je alles ter beschikking, wat je ooit jezelf hebt eigengemaakt. Alles.
Maar je zult het dan op een gezonde manier gebruiken. Je maakt dan van je vaardigheden geen afgodsbeeld meer. En van je capaciteiten.
En ook van je gebreken. Je maakt ook geen misdaad meer. Je ziet het gewoon: zo is dat bij mij, het is zo gegroeid. Nou, so what.
Al dat gejengel over, ja eigenlijk moest ik zus… En eigenlijk moest ik zo… En hij of zij doet het zo…
Het is achter de rug… Je bent voor het eerst echt nuchter. Echt concreet. Je ziet gewoon wat er gebeurd is.
Het is net als met de machine –we gaan toch ook geen romantiek bedrijven als een motor niet loopt. Of als je rem het niet doet. Daar gaan we toch geen roman over schrijven. Waarom doen we het dan op die andere gebieden wel?
Waarom? Waarom doen we dat? Dan kun je voor het eerst heel nuchter, heel concreet – dan zie je hoe jij functioneert.
Dan heb je ook geen last meer van zelf meer. Je ziet dat het zo gegroeid is. Dan zou ik mee moeten leven.
Het eindeloze gevecht van dan zal ik dat in orde maken, dat is achter de rug. Je leeft, je oefent. En daarin gebeurt het. Je weet niet waar je uitkomt.
Dat interesseert je ook helemaal niet meer. Het enige wat erop aankomt is dat je oefent. Dat je erbij blijft.
Dat je elk moment opmerkt dat je weer in het circus… zult gaan glijden. Dat je daar niet eens meer van schrikt. Je weet dat het er ook bij hoort. Je kunt er een beetje om lachen. Je kunt het gevoel hebben van: dat het er ook bij hoort. Net als die kramp in mijn schouders. Dat is er ook bij. Ik kan het loslaten, ik kan oefenen.
Ik kan op het punt blijven… dat ik voortdurend… voeling heb. Met alles van het verleden. Met zoals ik ben. Mijn mogelijkheden en gebreken. En dat ik tot niets van die dingen behoor.
Dat is namelijk waar het om gaat, dat ik tot niets behoor. Noch tot mijn gebreken, noch tot mijn toekomst, noch tot mijn verleden, noch tot mijn mogelijkheden. Dat ik daar niet toe behoor.
Dat ik het… op een intelligente manier kan gebruiken. En dat dat de oefening is, uiteindelijk.
En dat die oefening… door alles heen slaat. Dat je dan helemaal geen behoefte meer hebt aan een… reïncarnatietheorie. Of een leven na dit leven. Of weet ik wat allemaal zo geleidelijk aan… door duizenden jaren heen ontwikkeld is.
Je merkt dat het gaat om dat moment waarin je staat. En voor dat moment heb je een verantwoordelijkheid. Terwijl je tegelijkertijd weet dat de situaties waar je in komt… en de mensen die je ontmoeten zult… moet die misschien voor een zeer groot deel bepaald zijn.
En dat weet je ook. Want je bent niet gek.
Maar je weet ook dat jij… van seconde tot seconde de verantwoordelijkheid hebt… om er dat mee te doen… wat je doen kunt.
En dat dat eigenlijk een bepalend is, wat jij doet. Met al datgene wat misschien… voorbeschikt aangedragen wordt… ten aanzien van jou.
Maar dat jij die verantwoordelijkheid hebt. Dat je niet kunt zeggen: nou ja, dat was voorbeschikt dus. Zoals in het oosten vaak aangehangen wordt… of omgekeerd… wat wij in het westen zo’n tijd lang aangehangen hebben.
Ik kan alles doen. Dat is ook niet waar. Maar jij… jij bent dat punt waar die dingen zich ontmoeten.
Die vrijheid van de intelligentie… en die bepaaldheid van het vergankelijke leven. Die ontmoeten zich in jou. Dat is het punt waar ze elkaar ontmoeten.
En naarmate je geoefend bent en helder… zul je er beter mee omgaan. Zul je je beperkingen als beperkingen erkennen. Maar zul je je mogelijkheden als mogelijkheden óók herkennen.
En je zult er geen hartzeer meer over hebben. En je zult er geen plannen meer over maken. Want het is heel direct, het is dichtbij, het is nu.Nu moet je beslissen.
En zo… blijft je leven leeg. Blijft je leven stil.
Want je weet… uit eigen ervaring… dat je ieder moment kunt terugkeren naar die toestand… van het wachtend aanwezig zijn. Van het luisterend doen.
Wij scheiden dat altijd, of we luisteren of we doen.
Maar dat je luisterend doet. Want dat is de enige mogelijkheid om leeg te blijven. Om niet die eindloze, grote, zware last van het verleden… die je onbewust meetorst, altijd maar op je schouders te hebben.
Altijd maar te denken dat je dit of dat zo en zo moet doen, want… Nou komt het. Je vader heeft het je zo geleerd, je moeder heeft het je zo geleerd. Ik weet niet wat allemaal.
En al de gekken die daarna gekomen zijn. Je staat er zelf voor. En je kunt…
En je kunt zonder moeite… Je kunt jezelf buigen. Voor de omstandigheden. Je gaat ook geen onnodige… gekke gevechten meer aan. Als je ziet dat de omstandigheden zijn zoals ze zijn, zul je meegaan.
Want je ziet wat er aan de hand is. Je leeft niet meer in je hoofd… met een een of ander project. Maar je ziet wat er aan de hand is.
Je ziet ook wat kan.
En zo… kun je… zonder moeite… zonder discipline… kun je oefenen.
Dan hoeft er niets meer te zijn wat je belet. Want je kunt het op elk moment doen. Het moment dat je een slokje koffie neemt. Of het moment… dat je elkaar omhelst of dat je elkaar uitscheldt.
Op elk moment.
Maar vergeet niet… dat er dus die… constructie in jezelf, dat patroon in jezelf… dat we allemaal hebben. Dat heel machtig is.
Dus blijf alert. Want voor je het weet… ben je terug… in het circus. En dan moet je, als je in het circus bent, dan moet je… jezelf disciplineren en dan moet je… dan krijg je de hele… eindeloze litanie opnieuw.
Wees alert. De eeuwen door… hebben steeds… andere mensen in andere woorden en in… andere omstandigheden en in andere culturen hebben… ongeveer dit wat ik zeg, gezegd. Het wonder is eigenlijk… dat dat in die duizenden jaren nooit helemaal ten loor is gegaan.
Het is altijd weer bewaard gebleven. Maar jij kunt er vandaag de dag… inderdaad je voordeel mee doen. Door gewoon te gaan oefenen.
Bovenaan: Myōshin-ji is een groot tempelcomplex, wat betekent dat er op het grote domein ook tot wel 50 sub-tempels te vinden zijn. Eén daarvan is de Taizō-in 退蔵院. Deze tempel heeft een prachtige vijver-tuin en rots-tuin.
