Amersfoort juli 1984, zaterdagmorgen 7 juli
Wat heb ik gisterenavond proberen uit te leggen?
Ik zeg het nu een beetje anders dan toen, om misschien weer een nieuwe ingang te vinden. Je zou kunnen zeggen dat we zelden iets doen zonder een bedoeling. En dan is het natuurlijk zo dat er van allerlei is wat je met een bedoeling moet doen. Heel gewoon. Werk. Zaken die gebeuren moeten, taken die je op je genomen hebt. Dat is heel duidelijk.
Maar wij gaan verder. In hetzelfde patroon. En daarmee missen we de kans om ongeweten te doen.
Het klinkt een beetje raar, maar het geeft het toch heel goed weer. Je weet het pas op het moment dat je het doet. Je weet het niet van tevoren. Omdat het van binnenuit bij je opwelt.
En dat heeft hele grote consequenties. We doen vrijwel nooit van binnenuit, zonder dat we dat van tevoren op een of andere manier bedacht hebben.
Het is ons grote kruis.
En de vraag is dus: hoe wordt dat mogelijk voor ons? Hoe wordt het mogelijk om van binnenuit dat te doen wat jij blijkbaar doen wilt. Maar waar je nog geen plannetje omheen hebt gemaakt.
Wat door jou heen gebeurt – en het kan dan ook alleen maar door jou heen gebeuren en niet door een ander.
Hoe kom je daarbij? En dat geldt niet alleen voor ons die dan Za-zen doen. Maar dat geldt net zo goed voor degene die Tai Chi doet. Dat geldt voor iedereen, het is een universeel iets.
Hoe kom je los van de plannenmaker? Want de plannenmaker is oppermachtig.
En dan hoef je nog niet eens aan een computer te denken, maar gewoon aan hoe je zelf dingen doet. Het begint heel aan het begin. En dat is hoe ervaar je: hoe ervaar je?
Ik heb het er vaak over gehad. En ik zal het er over blijven hebben, omdat het inderdaad daar begint: het hoe ervaar je.
Ervaar je doordat je bepaalde stukjes van wat je tegenkomt herkent, of ervaar je het hele panorama, alles.
Het is zoiets simpels als je iemand ontmoet die je kent. Je ontmoet iemand die je kent opnieuw. Wat gebeurt er dan eigenlijk?
Ervaar je dan die mens op dat moment? Of is het allergrootste gedeelte van wat je ervaart, is dat de herkenning van het verleden. Want die mens die lijkt nog precies, hè – nou ja, een vrouw kan misschien helemaal haar haar veranderd hebben, maar oké, als dat nou niet zo is.
Die lijkt natuurlijk nog. En dat betekent dat de relatie die je dan opnieuw aanknoopt, dat is eigenlijk geen nieuwe relatie. Dat is de oude met een kleine modificatie.
En zo leven we allemaal.
En we zijn er zelfs op uit om relaties alsjeblieft te laten wat ze zijn. Er niet in te frommelen – zoals we dat dan zeggen. Want frommelen betekent dat je je bewust wordt van het feit dat het niet iets vaststaands is. Dat je niet kunt zeggen: zó en zó is die relatie. Maar dat het eigenlijk iets is wat altijd verandert, wat stroomt.
Ja, ik weet dat als ik dit nu zeg, dat jullie denken: ja, mannetje in de maan.
Maar de essentie is dat, welke relatie ook, een voortdurende verandering is. Onophoudelijk verandert die. En wij merken het niet op.
Maar je zult zeggen: maar dan wordt het leven onmogelijk, als dat zo is.
Ja, waarom wordt het onmogelijk? Omdat wij in een gefixeerde wereld leven. En zodra wij in die wereld komen van het ongefixeerde, van het stromende, van het vloeiende, hebben we het gevoel dat we verloren zijn.
En wij zijn ook als gefixeerde mensen, zijn we ook verloren, als we daarin komen. En waarom zijn we verloren? Niet alleen omdat we gefixeerd zijn, maar omdat we niet geleerd hebben om op dat wat is, in te gaan.
Omdat we zo kabalig zijn in onszelf, dat we de kleine veranderingen die al de plaats hebben gewoon, niet op kunnen merken.
En ik ben me heel goed bewust, dat als ik aan jullie vraag om voor het eten stil te zijn, dat het eigenlijk een farce is, als jullie niet snappen waar het om gaat.
Want in een gewone relatie zijn met iemand, met iemand praten, met iemand samen zijn, is een kunst. Dat is niet zomaar iets, dat is een kunst. Want het betekent dat jij in staat moet zijn, om die ander in zijn steeds veranderende werkelijkheid te ervaren.
Maar daar gaat iets aan vooraf. En dat is dat je jezelf – want jij verandert ook steeds – dat je jezelf opmerkt.
En nou zijn we dus waar het draaipunt ligt: kunnen wij onszelf ervaren als veranderend? Of doen we zo – en dat doen we – dat we dat niet opmerken en er gewoon vanuit gaan dat wij hetzelfde blijven.
Ja, we worden ouder en al die gewone dingen, maar dat bedoel ik niet. Dat is heel grof eigenlijk. Maar hoe zijn we? Wat gebeurt er in ons?
Nou dat simpele vraagteken van: wat gebeurt er in ons, dat kun je niet voor jezelf beantwoorden als je niet stil bent.
Want zolang dat lawaai – dat lawaai is eentonig, dat is herhaling van hetzelfde, het lawaai in je hoofd. Daarom doen we graag dingen die onze volle aandacht vragen en die niet moeilijk zijn, zoals voor ons althans Tai Chi. En allerlei bewegingsoefeningen.
Dat is simpel, dat kun je doen. Dat kun je aan aflezen wat er in je gebeurt, enzovoort. Maar zodra het iets is wat niet met je lichaam gedaan hoeft te worden, maar wat je dus met de geest doet, dan wordt het heel moeilijk.
Want daar heb je geen grip op. Je hebt geen houvast aan.
En kun je hieraan oefenen? Ja en nee.
Nee, je kunt er niet aan oefenen als je het onderbrengt bij een oefening. Als je zegt: ja ik zal het in Tai Chi oefenen, of ik zal het op mijn bankje oefenen, of ik zal het oefenen terwijl ik het huis schoonmaak. Of ik zal het oefenen terwijl ik ruzie met iemand heb.
Als je, zodra je het ergens onderbrengt, doe je precies hetzelfde wat je tot nu toe gedaan hebt, namelijk je brengt het ergens onder en dan ben je eraf.
En er zijn weinig mensen die zich daarvan bewust zijn. Dat als je dat doet, dat je het lawaai laat voortduren. Dat je zegt, strakjes op mijn bankje oefenen. Strakjes als ik in relatie sta. Maar dan werkt het niet.
Dan werkt het gewoon niet. Je kunt verzaligd op je bankje zitten, als je maar lang genoeg traint kun je verzaligd op je bankje zitten. Maar het heeft geen zin, mensen. Want er verandert niets. Ja er verandert iets, maar niet waar het om gaat.
Die flexibiliteit, die gevoeligheid, het mededogen waar het om gaat, dat komt daar niet vandaan.
Het kan zelfs averechts werken. Je kunt juist keihard worden in onverschilligheid op je bankje, als je niet oppast.
Dus het gaat altijd om dat ene punt – en ik zal jullie er vijf dagen lang erbij houden – hoe is het mogelijk om jezelf op het spoor te komen in de verandering. Om jezelf op te merken in de verandering, en dat toe te laten. En daar geen ‘nee’ op te zeggen.
Want het is heel onverwacht, als je jezelf meemaakt op het moment dat je niet die mens ervaart die je zo goed kent. Want die mens die je zo goed kent, is de opgebouwde mens. Het is de mens die je vanaf je jeugd tot nu toe opgebouwd hebt. Met behulp van anderen, maar je hebt het gedaan, je hebt het opgebouwd. En dat is de statische mens, dat is de gefixeerde mens.
Waar de psychologen zo’n geweldige moeite mee hebben – als het goede psychologen zijn.
Maar die andere mens, die eigenlijk de eigenlijke mens is.
En wat we nu vanochtend gedaan hebben, is gewoon bij onszelf constateren dat er, bij de schouders, hele blokkades zitten. In de rug zitten blokkades. En dat is dan nog maar, zeggen wij – dat zeg ik niet, maar laten we het nou maar zo zeggen: dat is nog maar het lichaam, dat is nog maar dat onderdeel.
En nou die hele complexiteit van je geest, dat wat je opgebouwd hebt, waar je allemaal vast zit. Op al die punten zit je vast. Hoe ontspan je dat?
Zie je, en dan helpt het niet meer om op een bankje te gaan zitten of Tai Chi te doen. Dan moet je verder.
En wat kun je doen? Ik ben geneigd om te zeggen: het enige wat mogelijk is – het is wat ik gisteren gezegd heb, wat ik vanochtend zeg en wat ik morgen zal zeggen, en wat ik overmorgen zal zeggen – om dat gedurig gewoon bij je te hebben. Zodat dat kan werken, zonder dat je er opzettelijk mee bezig bent.
Dat is mijn grote mijn grote dilemma: jullie iets te geven, waar jullie niet opzettelijk mee aan de gang gaan. Wat je dus als het ware meeneemt, elke ochtend opnieuw, even – al is het maar drie woorden – je herinneren.
En dat je het gewoon meeneemt, net als leeftocht, of wat anders voor die dag. En dat je er verder van af blijft. In godsnaam, er niet over denkt.
Neem het maar mee. En kijk maar wat het wil doen. Je kunt er niks aan dwingen.
Je kunt niet zeggen: vandaag moet het werken. Misschien werkt het helemaal niet. Maar je kunt het wel elke ochtend als je wakker wordt, gewoon even meenemen.
En daarom zal ik proberen, de rest van mijn leven, het op zoveel manieren te zeggen, dat jullie niet in de gelegenheid zijn om er een soort van rozenkransje van te maken. Want dat kan natuurlijk ook.
En toch moet het vandaar komen, want het is iets, het is iets, wat wat zelf het werk moet doen. Het heeft een lading die het werk kan doen.
Als je althans er niet mee jongleert, als je het gewoon, misschien als een onbegrijpelijk iets, zo gewoon met je meeneemt en kijkt hoe het werkt. Want waar het om gaat het is dat wat ik zeg dat is, als ik het nou een beetje zwart-wit stel, dat is voor jou onverteerbaar.
Maar er is een gedeelte in, daar heb je wat aan. Dat ben jijzelf.
Wat ik probeer te doen is stem te geven aan wat in jezelf aanwezig is. Wat geboren wil worden. En wat bij elke opzettelijke poging gewoon opnieuw onder de drempel geschoven wordt. Omdat je dan opzettelijk gaat oefenen.
En dan kan ik natuurlijk een heleboel leuke dingen zeggen, die in zen al allemaal gezegd zijn: oefenen als oefen je niet. Denken als denk je niet.
Maar daar hebben jullie niks aan. Dat weten jullie al allemaal. En er is niks gebeurd.
Dat is heel mooi. Dat is heel poëtisch.
Maar gewoon echt goed in de gaten hebben dat je geleefd hebt op fixatie.
En dat het nu dus erom gaat om dat vrijwillig en vriendelijk los te laten. En dan zeg ik daarbij: en dat gaat niet opzettelijk. Dat kan niet.
Want als je het opzettelijk doet, kom je in een andere fixatie terecht.
Dus deze vreemde materie, neem die gewoon met je mee. En daarom zijn vijf dagen heel gunstig. Omdat je het dan zo vaak hoort, dat je vanzelf iets van meeneemt. En omdat het niet te grijpen is, zul je het waarschijnlijk niet onderbrengen bij de verzameling dode vlinders, die je al een keer hebt. En nogmaals, de ochtend als je pas wakker bent, als je goed geslapen hebt, niet als je een slapeloze nacht hebt gehad, maar als je goed geslapen hebt.
Je hebt nog niets gedaan, je bent dus nog eigenlijk een beetje onschuldig. Probeer dan zo vaag maar zo nog even naar binnen te laten gaan, zo’n vleugje wat zo even langs komt en weer verdwijnt.
En laat het werken. Laat het werken in jezelf. En wees daar zuinig mee.
Met dat moment van wakker worden en dat, zoals een lentebriesje, zo op je heen gaat zo even je laten beroeren. En als je dan rustig je dag begint, dan heb je de grote kans dat het werkt. En het heerlijk is dan hoef je er niet over te denken, je hoeft er geen plan over te maken, je hoeft niks te doen.
Alleen maar een beetje aandacht eraan geven.
En vergeet al die geweldige verhalen over stokslagen en over verlichting en ik weet al niet wat allemaal. Vergeet het al.
Het is een omweg. Het hoeft niet. Het is, als je het laat gebeuren.
Goed mensen wat wilde ik dus vanmiddag, wilde ik heel graag als jullie ertoe in staat zijn en als jullie het dus belangrijk genoeg vinden, wilde ik hierop ingaan.
Ieder op zijn manier. En ieder misschien vanuit zijn speciale positie. En laten we vooral vanmiddag bij dat gesprek, laten we heel erg eerlijk zijn.
Als we geen vraag hebben, hebben we geen vraag. Als we wel een vraag hebben, hebben we h’m wel. En ieder van de vragen die jullie stellen, is een universele vraag. Het is niet een speciale vraag van degene die de vraag stelt, maar het is een universele vraag.
Als wij dat met elkaar kunnen ontdekken, wat de universele gedeelte in de vraag is. Want in iedere vraag en in iedere opmerking is een universeel gedeelte.
En daar gaat het om.
Dus we kunnen vanmiddag al oefenen aan dat echt aandachtig ingaan op elkaar. Laten we dat proberen.
Bovenaan: Hanna Mobach, Lente
1982. Waterverf op rijstpapier, 32,5x27cm
