Toespraak oktober 2025
+ NOTITIE✏️ Adam
Wij leven bij de namen
Vijfdaagse december 1995 in Huissen
| vrijdagavond |
…dat we niet weten waar we aan beginnen als we gaan mediteren. Want we gaan eigenlijk terug naar Adam.
Adam kreeg de opdracht van God dat hij alle dingen namen moest geven.
En wij leven bij de namen. Dat is een heel wonderlijk iets: wij leven bij de namen, wij leven dus niet bij wat er is.
En in dat verhaal van de schepping en het feit dat dus Adam namen gaf, is heel gecomprimeerd samengevat wat er in de evolutie gebeurd is. In de evolutie van het menselijk bewustzijn is gebeurd, dat wij de dingen (indelen) naar hun vorm, naar hun uiterlijk, naar datgene wat onze zintuigen ervan kunnen waarnemen. Dat is de ontwikkeling geweest.
Een heel klein kind, als het geboren wordt, is nog vóór die naamgeving, die is dus vóór dat Adam naam gaf aan alle dingen. En wij zijn natuurlijk doorgegaan, wij zijn nog allemaal Adam en we geven steeds meer namen. Kijk naar de wetenschap. En we zijn steeds bezig om vanuit die namen, vanuit datgene wat je dus waar kunt nemen, om daar het niet-waarneembare in terug te vinden. Daar zijn we steeds meer mee bezig, veel mensen. En we zijn dus vergeten hoe het ontstaat, we zijn vergeten dus hoe ons bewustzijn werkt.
En wat we ook doen en hoe we ons ook inspannen, als we dit niet begrijpen – en dit kún je begrijpen – als we dit niet begrijpen, blijven we aan de buitenkant.
We moeten dus eigenlijk helemaal omkeren. Of onszelf binnenstebuiten keren.
Zodat het binnenste buiten komt. Of in het bewustzijn, dat we – dat is misschien duidelijker – dat we dus de innerlijke zin van alles om ons heen, gaan verstaan. De innerlijke zin is niet datgene wat ons van buiten lijkt.
Maar dat betekent, als je dat zegt tegen jezelf: ik wil graag de innerlijke zin van alles om me heen – en dat betekent dus eigenlijk van mezelf – dat wil ik werkelijk hebben, dat wil ik dus wezenlijk voor mezelf duidelijk, werkelijk hebben. Dan betekent dat automatisch, dat je dus alles wat je al weet – en dat is de buitenkant – dat je dat loslaat. Dat wil zeggen, dat je je bewust gaat worden dat je als mens, als product van die héle lange, lange, lange, lange evolutie, dat je alles van de buitenkant ziet. En alleen maar in enkele momenten – en die heb je niet gezocht, want je kunt dit niet zoeken – gemerkt hebt dat er, behalve datgene wat je kent, dat er iets anders is in jezelf – maar zo ervaar je het niet – maar dat er iets is in hetgeen wat je kent: een boom, een mens, een tafel, de tijd, dat er iets in is, wat je niet kent. En dat eigenlijk het wezen is in de wereld.
Hier staan we dus voor een … mysterie. En we hebben zo in de loop van de duizenden jaren dat de mens op aarde is, voor ons herkenbaar en voor ons na te trekken vanaf de vroegste overleving – er is dus in die hele evolutie iets wonderbaarlijks gebeurd: eerst waren we een deel van het geheel, zonder moeite. We leefden dus, zal ik maar zeggen als ik het nu christelijk zeg, we leefden in Gods hand. Maar we wisten het niet, we wisten niet dat we in Gods hand leefden.
En dan is die evolutie, die heeft gemaakt dat wij ons bewust gingen worden, steeds meer, steeds verder, steeds gespecialiseerder, steeds gedifferentieerder, van de wijze waarop het zich aan ons voordoet. En dat wil zeggen, zich voordoet aan onze zintuigen – en dan zeg ik het eigenlijk niet goed, ik zou moeten zeggen: hoe het zich voordoet in ons bewustzijn. Want onze zintuigen zijn niet meer dan de poorten waardoor de impulsen binnenkomen, die naar ons bewustzijnscentrum gaan en daar beelden oproepen, begrippen oproepen. Het is een hele ingewikkelde historie, waar we nog eigenlijk, tot op de dag van vandaag, heel weinig vanaf weten. Daar hebben we nog altijd over gestreden.
En dat is eigenlijk een heel merkwaardig iets. Daar komen dus impulsen binnen, je zou kunnen zeggen: magnetische impulsen binnen, als ik kijk, als ik luister, als ik voel, als ik tast, als ik ruik, als ik proef. Het zijn allemaal impulsen. Die komen in ons bewustzijn en dan zeggen we: ik eet een aardappel. Of: ik zie hem of ik zie haar. Dat gebeurt dus in ons bewustzijn, dat is niet meer van de zintuigen. Het moment dat jij dus zegt: ik zie iemand, zit je in het bewustzijn. En je hebt je zintuigen nodig om die impulsen te geven. Je kunt dus niets missen.
Maar wij sluiten dat altijd kort.
Als ik naar Hein kijk, dan zou ik moeten zeggen, die impulsen die binnenkomen, die wekken in mij het idee dat daar Hein zit. Dan zou ik een beetje wetenschappelijk juist zijn. En omdat we dat niet beseffen, ben ik geneigd om te zeggen: Hein zit daar (gelach). Maar dat is eigenlijk onzin, ik zou moeten zeggen: ja, in mij gebeurt iets waardoor ik kan zeggen: Hein zit daar, als ik naar hem kijk. Dat naar hem kijken is dus meer van de zintuigen. Maar dat bewustzijn dat het Hein is, dat is in mijn bewustzijn.
Dus als we iets fundamenteels willen oefenen, dan moeten we bij ons bewustzijn zijn – en veronderstellende dat onze zintuigen goed werken.
Dat is ook alweer zoiets: hoe weten we dat, dat onze zintuigen goed werken?
Vergelijkenderwijs weten we wat een beetje goed gaat.
Wat ik probeer duidelijk te maken – en ik ben dus begonnen met dat scheppingsverhaal. En dat is niet alleen de christelijke scheppingsverhaal, alle scheppingsverhalen die je leest, hebben allemaal dat punt van dat er plotseling iets tastbaars is. En ‘iets tastbaars’ wil zeggen: datgene wat onze zintuigen kunnen waarnemen.
En we kennen die scheppingsverhalen nog, zeker de christelijke scheppingsverhalen kennen we. Maar het… ja, het archemedische punt daarin, dat ontgaat ons… Want met het naam geven, hebben we ons eigenlijk verwijderd van …. de Oorsprong – dan we zeggen we van: dat is God. En dan geloven we dat God er is. Dat geloven we, want er zijn mensen die er niet in geloven, die geloven in wat anders.
En nou denken we, dat als we dan maar blijven geloven, dat we dan God zullen kunnen waarnemen. En dat komt omdat we vergeten zijn wat er gebeurd is in dat scheppingsverhaal.
De verschillende religieuze stromingen – ik zeg expres niet ‘religies’, maar ‘religieuze stromingen’ die er zijn – wordt eigenlijk steeds gezegd: geloof nou maar… enz.. Maar ze zouden eigenlijk moeten zeggen: vergeet nu eens alles wat je al kent en weet en wilt. Dat zouden ze eigenlijk moeten zeggen.
Maar het is zo moeilijk, dat moet je niet tegen iemand zeggen. Op het gevaar dat die je een gek vindt. Maar dat wil niemand, waarom zou je alles vergeten?
Dat is wel nodig. Het is wel nodig dat alles wat je al kent – en nu zeg ik het anders: alles wat je dénkt te kennen, want zo is het eigenlijk – alles wat je denkt te kennen, moet tot rust komen. Moet jou niet meer storen. Zodat je leeg kunt zijn en stil kunt zijn. Want God komt nooit in het geweld, God komt nooit in de inspanning. Het is iets wat onverwacht, net als een klein koeltje binnenkomt, en weer verdwijnt. Iedereen die het weleens ervaren heeft, die weet dat.
Dus als je me vraagt: ja wat kun je er aan doen? Dan zeg ik: niks, helemaal niks. Alles wat je doet, is in het bekende. En dat is dus: in dat wat er al is. En dat wat er al is, kan nooit datgene zijn wat nooit geboren wordt. Dat kan niet. Alles wat er is, is geboren. Is er. Maar waarneembaar voor onze zintuigen.
Het is een heel ding als je dit begrijpt, want dan ga je je niet meer inspannen voor iets wat je kan. Je gaat dan beseffen dat het dus er inderdaad om gaat, om vrijwillig, alles wat je weet, te laten voor wat het is. Het is niet slecht, het is niet verkeerd. Het is wat het is: beperkt, beperkt tot een bepaalde levensduur. Wij worden honderd of honderdtien of honderdtwintig jaar. En als er niets gebeurt, dan is het afgelopen … met het bekende.
En wij zeggen dan: het is over. En dat komt omdat we ons hele leven vertrouwd hebben in dat wat onze zintuigen ons vertellen – en dan zouden we eigenlijk dus moeten zeggen: dat wat ons bewustzijn ons laat zien, door de impulsen van de zintuigen. Ik zeg het er maar steeds bij, dat jullie eraan wennen, dat wij daar dus een huppeltje nemen.
Dat maakt dus ook dat we dat sterven, dat vinden we een akelig iets. En als we eerlijk zijn, dan zouden we zeggen: dat moest er nou eigenlijk niet zijn, het sterven. Dat is natuurlijk heel dom om dat te zeggen. De Here bewaren dat we allemaal mee nemen, met al onze gekheid. Het is dus heel goed dat het op een bepaald moment tot een einde komt.
En dat we dus even aan herinnerd worden – dat is eigenlijk het sterven – dat we er even aan herinnerd worden, dat we iets anders zijn dan wat we gedacht hebben dat we waren. Dat we iets anders zijn dan waar we op vertrouwden, dat we iets anders zijn dan waar we trots op zijn. Of waar we verdrietig over zijn. Dat we iets totaal anders zijn, iets wat nooit geboren wordt. En dus ook nooit sterft.
En dat betekent dus, dat al die momenten dat je er alleen maar bént, heel belangrijk zijn.
De grote mystici, als ze aan het eind van hun reis zijn, hebben zich dan een heel leven ingespannen om het allerlaatste te ervaren. Of ze nou uit het Oosten of Westen komen, de meesten zeggen één ding: het allerlaatste is een aanwezigheid., het is beeldloos, het is vormloos. Het is een aanwezigheid.
Zelfs zo iemand als Theresia van Avilla, die dat prachtige boek geschreven heeft ‘De burcht van God’, eindeloos uitgesponnen, die komt op het eind van haar leven tot de conclusie: dat is het niet. Het is een aanwezigheid.
Dat vertelde ik dit, dat ik heb het natuurlijk al meerdere keren gedaan, maar ik probeer het steeds op een andere manier. Dat jullie je dus niet zullen inspannen om iets, wat alleen ervaren kan worden, via je denken, via je voelen, via je willen, te bereiken. Daarom heb ik het erover.
En dat lijkt, als ik dat zo zeg, dan lijkt dat het, ja, kijk, dat is heel zinnig hè. Maar toch doen we niks anders dan toch maar te proberen van dat wat we kennen, te komen mee wat we niet kunnen kennen. En dat gaat niet.
Dat kan alleen maar als je vrijwillig en uit inzicht, door inzicht, het loslaat. En het is dan geen wilsinspanning, het is dan niet dat je zegt: ik wil dat loslaten. Maar je ziet dus waar het om gaat. Dat je het loslaat.
En je kunt het aan allerlei simpele dingen opmerken, dat je pas kunt ervaren als je niets meer bedoelt. Zolang je, wat je ook doet, als je daar iets mee bedoelt, kun je niet dat wat eigenlijk is: het wezenlijke, ervaren. Dat kan niet. Want je wil is van buitenkant. Die is dus vanaf die naamgeving van Adam, is die bezig.
En het is prima dat die bezig is. Maar dan moet je dus niet op het oog hebben, datgene wat nooit geboren is te ervaren. Als je dat wél op het oog hebt, dan moet je dus inzien dat dat niet kan.
Er is geen enkele oefening voor, er is geen enkele weg naartoe Het is alleen de zintuigen, je bewustzijn waar je mee bezig wilt zijn. Als je daar echt bij stilstaat, dan is het zonneklaar. Dan besef je dus ook dat je je er niet voor in kunt spannen.
Dat gaat niet. Je kunt er alleen maar bij verwijlen, met het hele deze hele gang van zaken. En dat is dus een gang van zaken, niet alleen in het grote geheel van de schepping , maar dat is dus ook in ons. Want wij zijn deel van de schepping. En als je het heel precies neemt, wij zijn de schepping. Zoals wij gevormd zijn, maken we nog altijd totaal niets van weten.
Wat we weten, alles wat we weten, dat is wat er zichtbaar gebeurt. Want het is natuurlijk miljoenen lichtjaren verwijderd van wat er in het onzienlijke, in datgene wat dus niet tastbaar is, niet verifieerbaar is, gebeurd. Het heeft er niets mee te maken zelfs.
Dus onze hele vertaling – nu gebruikelijk is een nieuw woord onze hele vertaling van de werkelijkheid die we niet kennen, is een vertaling. Een vertaling waarmee we kunnen communiceren met elkaar. Wat ik nu doe met jullie.
Ik communiceer in de vertaling. Maar ik communiceer niet met ieder van jullie naar het wezen.
Ik zit dus in de vertaling.
En jullie verstaan me in de vertaling. En als ik het goed wil, dan gebeurt er iets. En ik heb zelfs de euvele moed om te wijzen naar iets wat buiten de vertaling staat.
En ik probeer aldoor maar te zeggen mensen, die is een gebruikelijk middel om te wijzen op iets wat buiten onze vertaling valt.
En toch is het nodig dat je je daarvan bewust bent.
Ik herinner me opeens, de oogarts die mij dus geholpen heeft, die moest hechtingen eruit halen.
En ik vroeg haar: hoe komt het nou eigenlijk dat het zich dan hecht? Toen zei ze: nou dat gaat vanzelf… O ja… En toen moest ze lachen.
En toen begreep ze meer dat dat ze daar een geheim aan had.
Dus je loopt je elke dag, loopt je het tegenaan. Het wezenlijke, dat waar het om gaat, dat van levensbelang, daarvan zeg je: oh dat is vanzelf.
En waar we ons al druk over maken, dat is dat, dat buiten dat vanzelf valt. Want daar heb je begrepen op. Altijd vanzelf hebben we geen greep op.
Dat is er, dat is er niet. Als iemand ziek is dan heelt hij moeilijk. Dat weet ik wel.
Hij blijft een buitenkant. En als we elkaar op een bepaald moment van ons leven trouw beloven dan zeggen we eigenlijk iets heel geks. Weet jij veel? Trouw beloven, hoe zit dat? Wat weet je er eigenlijk van? Onbekend.
Maar met vaste tred zeggen we ja, ik beloof trouw. We bedoelen daar wel wat mee, maar het is eigenlijk onzin. Je kunt tegen een boom rijden, het verhaaltje is uit.
We gaan heel welgemoed we gaan hier naartoe. We rekenen er gewoon op dat we hier komen, dat we hier zijn dat we hier vanwege gaan.
Echt weten. En dat weten we niet. En dat we het niet weten dan stoppen we zo ver mogelijk weg.
Dat we eens zullen sterven stoppen we weg. En dat is natuurlijk een geweldige krachtsinspanning, dat altijd maar wegstoppen van de volkomen onbekendheid met het wezenlijk. En iedereen die ons een klein beetje zekerheid belooft, wat voor zekerheid dat ook zijn dat vinden we fidele mensen. Maar het zijn eigenlijk blinden, dus geloof ze niet, want je zekerheid ligt daar niet. Je zekerheden, de enige zekerheid die je hebt in je leven, kijk maar naar de schepping, is die van voortdurende verandering, van voortdurend ontstaande verandering. Dat is de enige echte zin.
En hoe dat plaats heeft, daar zijn de geleerden nog altijd niet uit. Maar met wetmatigheden hebben we ontdekt. En het is fantastisch dat we dat ontdekt hebben. En het is bemoedigend dat we dat ontdekken. Maar we verschuiven eigenlijk voortdurend het vraagteken. En elke verdere ontdekking plaatst ons voor een nieuw vraagteken.
En dat is de dat is de geschiedenis van de mens.
Maar als je dat dus beseft wat er aldoor plaats heeft en wat jij ook steeds doet, steeds vaster, steeds zekerder je nestelen in de vertaling, dan begrijp je dus ook wat er een geweldige uitdaging ligt, die je nog niet aangegaan bent. En dat je, zolang je die uitdaging niet aangaat, dat je heel diep in in onzekerheid verkeert.
En dat is het toestand van ons allemaal. Zonder uitzondering. We mogen geloven wat we geloven.
De dominee mag zeggen wat hij zeggen wil. De pastoor mag zeggen wat hij zeggen wil. Maar als we heel diep in onszelf kijken, dan weten we dat we het niet weten.
En dat al die verzekeringen lawaai aan de buitenkant zijn. Goed bedoeld, maar het kan het nooit zijn. De echte zekerheid ligt buiten dat bestel van de vertaling.
Ligt dus buiten wat wij bewust hebben.
En het enige wat nog van belang is, is dat we dit inzien, zodat onze aandacht vanzelf zich afwendt van het eindeloze gepeuter aan de vertaling. Zodat we zonder moeite stil zijn.
Als je het inziet, als je inziet dat al die gedachten, al die gevoelens, al die voorstellingen, alles wat je weet, dat het je niet kan helpen, dan moet je niet tegen jezelf zeggen: nou wil ik stil zijn. Dan ben je stil. En als je dus inziet dat het niet pakt … dan ben je stil.
En natuurlijk, omdat je maar een gewoon mens bent, tussen alle anderen gewone mensen, zelfs als je dit beseft, zelfs als je stil bent, zomaar spontaan stil, als er niets meer in je beweegt, er niks meer hoeft, zelfs dan zul je telkens terugvallen in de vertaling en weer ouwe jongens krentenbrood bij elkaar zijn.
Daar is er ook niks te tegen, als je maar steeds wist wat je aan het doen bent. Dus dat wat je aan het doen bent, niet zo vreselijk gewichtig vindt. Het is wel nodigJe moet eten, je moet drinken, je moet een plek hebben om te leven. Velen van ons die beseffen hoe moeilijk dat is. Die eenvoudige dingen, dus goed voedsel, zodat je niet te zwaar wordt of niet te mager wordt. Een huis waar je of een plek of een ruimte, waar je niet opgejaagd wordt, waar je zelf nog bent, in al je gekkigheid, want het is allemaal heel nieuw. Maar als je dat dan hebt, dan is dus het moment gekomen dat je alles kunt vergeten.
Maar dat doen we niet. Als we dat hebben, dan gaan we verder denken, van ja, dat heb ik nou. Wat heb ik nog meer nodig? Daarom zijn de levensverzekeringen zo rijk.
Zo gaat ons leven voorbij. En we vergeten dat we dan nog altijd in de wereld van de naam leven, van de vertaling.
En dat dus dat beseffen, dat je in de vertaling leeft en lijdt en blij bent dat dat de vertaling is. En die vertaling is het voorlopige en dat is net als de hele schepping, het wordt geboren en het sterft. En het is dus niet dat wat de aanleiding is tot de schepping, wat de aanleiding is van jouw zijn, dat is het niet.
En je was juist op weg gegaan, om dat eigenlijke, dat oorspronkelijke, dat niet in de tijd gevangen zijn, om dat te vinden. Daarvoor was je op weg gegaan.
En je merkt aan jezelf dat je eigenlijk toch altijd bezig bent, om dat wat je al kent nog meer veilig te stellen, nog groter te maken, nog te vermeerderen.
Je nog meer uit te breiden daarin. Want ook kennis hoort daar ook toe. En wij vinden mensen, die heel veel weten, vinden we heel belangrijk.
En mensen die véél macht hebben, vinden we ook heel belangrijk. En mensen die véél kunnen, vinden we ook héél belangrijk. Maar dat is allemaal in de waardeschaal van het voorlopige.
Het is zo ongelooflijk van belang dat je ziet wat je aldoor doet in je leven, wat je eigenlijk zoekt in je leven. Zoek je dat oorspronkelijke, of zoek je iets waarin je kunt rusten, iets waarin je geborgen bent?
Moet je voor jezelf proberen te beseffen: wat zoek je. Is dat echt dat onbekende, waar we tot op de dag van vandaag niets van weten. Of zoek je toch het bekende, zoek je veiligheid. En zolang je een van die dingen zoekt, die horen bij de vertaling, blijf je in de vertaling.
Terwijl het in een soort geschrift als de Bijbel al staat, dat van een bepaald moment af de dingen namen krijgen. En dat wij leven bij de namen. Terwijl we in wezen niet van de namen zijn.
Maar het is al zó lang geleden dat wat gebeurde in de tijd, dat we nu leven in de namen. En zolang je daar op een of andere manier tevreden mee bent, is er geen vuiltje in de lucht. Dan kun je doorgaan met steeds meer te weten van het bekende.
Pas als je dus echt aan het einde bent – want het heeft niet met je leeftijd te maken, het heeft met je instelling te maken. Als je dus inziet waar je mee bezig bent en daar niet boos over bent, niet zegt: oh dat had ik niet moeten doen, ik had moeten blijven daar in de oorsprong. Dus als je niet die onzin gaat doen, hè, dus niet jezelf om de oren te slaan, en van die andere onzin en zeggen dat je zondig bent en de hele reutemeteut.
Dan is het gewoon helder hoe je zelf vaststelt hoe je bezig bent. En je ziet dus in dat dat nooit boven zijn eigen niveau kan komen. Dat kan niet.
Dan kun je misschien in dit voorlopige leven, waar we allemaal in staan, gaan we beseffen wat niets van dit voorlopige leven is. Maar het gaat niet als je daar iets voor moet opofferen. Dat zeg ik er echt uitdrukkelijk mee. Zo gaat het niet. Het moet met liefde zijn, spontaan. Vanzelf.
Het is inderdaad zo dat Krishnamurti moet zeggen: inzien, beseffen, is actie, je doet.
Je hoeft niet te gaan denken van: wat moet ik dan doen? Je beseft, je doet. En dan moet je op de koop toenemen dat je telkens terugvalt in je vertaling.
Want daar ben je van, zo ben je opgevoed, zo zijn de generaties voor jou zo opgegroeid. Dus de meest normale zaken. En toch heb je die mogelijkheid om dit te beseffen. Dat is fantastisch. De mogelijkheid om te beseffen dat het heel natuurlijk is dat je zo bent als je bent – en tegelijkertijd de mogelijkheid hebt om dat wat buiten de vertaling, wat buiten de tijd is, te beseffen.
Het enige wat je daarvoor nodig hebt is tijd vrij maken om dit beseffen z’n werk te laten doen. Dus dat is niet erover denken, niet waar voert het naartoe, waar gaat het dan heen, wat zal het me opleveren – ik zeg het nou een beetje erg akelig – je moet gewoon tijd vrij maken om dat beseffen een kans te geven steeds dieper te gaan.
En je kunt een ander daarvan niets tastbaars laten zien, want het is niet in het tastbare. Maar als je ook maar een miljoenste korreltje van die oorsprong beseft hebt, zou je er heel graag, met alle vezels van je ziel, tijd voor vrij maken.
Want het is gewoon zo, het is geen heldendaad, het is geen prestatie, dat gebeurt gewoon. Er wordt eigenlijk heel weinig van ons gevraagd, heel weinig. Alleen maar in de stilstaan zonder gedachten, zonder doel, omdat je beseft.
Nou misschien kunnen we hier, ieder op zijn manier, op ingaan
Sitemap Tao-zen
Bovenaan: Jan Brueghel de Jongere, Adam die de dieren een naam geeft. Afmetingen 279x387mm.
