The Throne That Was Christ’s

Bovenaan:
Krishnamurti's ’Dissolution Speech’, 3 augustus 1929
De Orde van de Ster in het Oosten werd in 1911 opgericht door de Theosofische Vereniging om de komst van de Wereldleraar aan te kondigen. Krishnamurti werd aangesteld als hoofd van de Orde.

Op 3 augustus 1929, de openingsdag van het jaarlijkse Sterkamp in Ommen (Nederland), hief Krishnamurti de Orde op in het bijzijn van 3000 leden.

  Rom Landau,1899-1974

‘Er schuilt iets heiligschennends in je voornemen om zo’n boek te schrijven,’ zei een vriend, en toch zette ik door.
Al sinds mijn jongensjaren voel ik me aangetrokken tot die gebieden van de waarheid waar officiële religies en wetenschappen zich niet aan wagen. De mannen die beweren daarin te zijn doorgedrongen, oefenden op mij altijd dezelfde fascinatie uit als beroemde kunstenaars, ontdekkingsreizigers of staatslieden op anderen; en zulke mannen vormen het onderwerp van dit boek. Sommigen komen uit het Oosten, anderen uit Europa en Amerika; sommigen gunnen ons een blik op de waarheid door slechts een oogopslag, terwijl anderen met de precisie van wiskundigen over hemel en hel spreken.

Ik heb ze allemaal ontmoet en sommigen van hen in hun dagelijks leven geobserveerd. Jarenlang heb ik hun gezelschap gezocht, hen vragen gesteld en nauwlettend gadegeslagen terwijl ze aan het werk waren. Ik heb geprobeerd hun persoonlijkheid los te zien van hun leer, om die twee vervolgens weer met elkaar in overeenstemming te brengen. Ik heb ook mannen opgenomen die ik nu niet meer zonder wantrouwen kan beschouwen. Aangezien duizenden anderen in hen geloven, zijn het hoe dan ook uiterst interessante figuren in het hedendaagse spirituele leven, ongeacht hoe weinig werkelijke waarde hun leer wellicht bezit.

Er zijn mensen die de helden uit dit boek beter kennen dan ik, maar het is nooit mijn doel geweest me met een bepaalde leraar te identificeren. Integendeel, ik wilde juist zelf ontdekken door welke krachten zij op zoveel mensen invloed hebben uitgeoefend.
Deze houding waarschuwt de lezer dat hij geen onpersoonlijk overzicht van hedendaagse spirituele stromingen hoeft te verwachten. Ik heb me beperkt tot het beschrijven van de mannen met wie ik persoonlijk contact heb gehad. Ik benader hen niet als geleerde, maar als een gewoon mens die probeert God te vinden in het dagelijks leven.

Dit boek is het verslag van een avontuur en het verhaal van mijn vriendschappen met mannen die een toekomstige generatie wellicht de ware profeten van onze tijd zal noemen. De kern van dit avontuur is een zoektocht naar God. Ik laat het aan de lezer over om te oordelen of een dergelijke zoektocht heiligschennend kan zijn.

Rom Landau

CHAPTER I
THE THRONE THAT WAS CHRIST’S

I

Op een zondagochtend zat ik in een kleine, met panelen betimmerde kamer in een van die fraaie Queen Anne-huizen die nog in bepaalde delen van Westminster te vinden zijn. De straat buiten het raam was verlaten. Het regende hard en de dreigende lucht beroofde de kamer van de weinige heldere kleuren die enkele rozen in een vaas en een oude, met tapisserie beklede stoel erin hadden gebracht. Het huis was eigendom van de weduwe Lady De La Warr en ik wachtte op een ontmoeting met de heer Jiddu Krishnamurti, die daar voor een kort bezoek verbleef.


Dit zou mijn eerste ontmoeting met Krishnamurti worden. De jonge Indiër stond bekend als nogal verlegen, en gezien alle sensationele berichten over hem in de kranten vond ik dat geenszins verrassend. Ik had me voorgenomen met een open geest naar deze ontmoeting te gaan, maar ik moet bekennen dat ik het moeilijk vond om iets anders te voelen dan diepgaand scepticisme. Ik herinnerde me enkele van de vreemde verhalen die ik de afgelopen dagen had gelezen. Eén daarvan stond me nog bijzonder helder voor de geest, hoewel het een gebeurtenis beschreef die bijna twintig jaar eerder had plaatsgevonden. Het was een verslag van een bijeenkomst in Benares, geschreven door de toenmalige privésecretaris van Krishnamurti, die destijds vijftien jaar oud was. Hij had geschreven: “De rij leden begon door het middenpad naar voren te komen… met een buiging voor het Hoofd [Krishnamurti]… De hele sfeer… raakte in een krachtige trilling… Iedereen zag hoe de jonge gestalte zich oprichtte en een houding van waardige majesteit aannam… Het naderende lid viel onwillekeurig op de knieën en boog het hoofd tot aan de grond… Een grote kroon van schitterend, glinsterend blauw verscheen een halve meter boven het jonge hoofd, en daaruit daalden trechtervormig heldere stromen blauw licht neer… Heer Maitreya was daar en belichaamde Zichzelf in Zijn Uitverkorene. Binnen de kroon vlamde het karmozijnrood van het symbool van Meester Jezus: het rozenkruis…”
Ik ben bang dat ik niet veel verder heb gelezen na de passage over het ‘rozenkruis’; maar mij werd verteld dat de schrijver van deze indrukwekkende regels niet de enige was die beweerde dit kleurrijke schouwspel te hebben gezien.

Er leek enige grond te zijn voor scepsis, en terwijl ik zat te wachten, bekroop me een gevoel van hooghartigheid – iets waaraan we ons allemaal wel eens schuldig maken wanneer we op de hoogte zijn van een bijzonder zwakke plek in het leven van de persoon die we gaan ontmoeten. Dit gevoel werd bij mij nog versterkt doordat ik de avond daarvoor in de krant had gelezen dat de volgelingen van Krishnamurti in Nederland hem eindelijk hadden uitgeroepen tot ‘Wereldleraar’. Hij had zelf de volgende woorden gesproken:

“Krishnamurti is binnengegaan in dat leven dat door sommigen wordt aangeduid als de Christus, door anderen als Boeddha en weer door anderen als Heer Maitreya…” Deze woorden hadden het geweten van Krishnamurti’s volgelingen gerustgesteld en hen ertoe aangezet hem voor eens en voor altijd uit te roepen tot ‘het Voertuig van de Heer’. Voor gewone mensen was dit, op zijn zachtst gezegd, verontrustend nieuws.

Ik dacht aan al deze vreemde zaken terwijl ik uitkeek over de lege straat, die half aan het zicht werd onttrokken door de dichte motregen. Ik beschikte over voldoende informatie over Krishnamurti’s leven om mijn scepsis in evenwicht te houden. Ik wist dat enkele van de mensen die achter hem stonden, serieuze en intelligente personen waren.

Ik was de naam Krishnamurti pas enkele weken daarvoor tegengekomen in het huis van Lady De La Warr in Wimbledon; daar had ik enkele van zijn naaste vrienden ontmoet – ervaren, oudere mannen en vrouwen die bepaald niet het soort mensen waren dat zich liet misleiden. Het middelpunt van de groep was mevrouw Annie Besant, destijds bijna tachtig jaar oud en een bijzonder innemende persoonlijkheid: zeer scherpzinnig en wars van theosofisch jargon, vol politieke en intellectuele interesses waarover ze op uiterst levendige en onderhoudende wijze sprak. Naast haar zat de heer George Lansbury, de ervaren leider van de Labour-beweging. Ook hij hield zich intensief bezig met politieke vraagstukken rond India en andere kwesties. Er was in zijn trage uitspraken met diepe stem weinig dat deed denken aan een religieuze extaticus. Iets dat meer aards en natuurlijk was, viel nauwelijks voor te stellen. Zelfs onze gastvrouw sprak slechts terloops over theosofie. Verder was er een parlementslid aanwezig – naar ik meen een staatssecretaris – die duidelijk een groot kenner van India was. De andere aanwezigen hadden niets verhevens of mystieks over zich. Dit waren Krishnamurti’s naaste vrienden in Engeland. Het was moeilijk voor te stellen dat deze mensen spraken over de “grote kroon van schitterend blauw” en “het rozenkruis van de Heer Jezus”. Annie Besant zelf was duidelijk een zeer scherpzinnige vrouw. Hoewel ik destijds weinig van haar of haar werk afwist, zag ik wel dat er maar weinig aan haar aandacht was ontsnapt.

II

En toen kwam Krishnamurti de kamer binnen. Hij liep op me af met een uitnodigende glimlach en we schudden elkaar de hand. Ik werd onmiddellijk getroffen door zijn opvallend knappe gezicht, en na een gesprek van enkele minuten was ik evenzeer gecharmeerd van zijn innemende persoonlijkheid. Deze twee indrukken waren zeer sterk, en ik vermoed dat ze in zekere mate mijn latere houding tegenover hem hebben bepaald. Later hoorde ik van anderen dat zij bij hun eerste ontmoeting met Krishnamurti dezelfde indruk hadden gekregen als ik.

Mijn eerdere hooghartigheid maakte plaats voor een gevoel van welbehagen. Aanvankelijk dacht ik dat dit gevoel voortkwam uit het esthetische genot dat zijn verschijning opriep.


Hij was inderdaad veel knapper dan hij op foto’s leek. Hij oogde niet ouder dan tweeëntwintig of drieëntwintig en bezat de slanke gratie van een schuw jong dier. Zijn ogen waren groot en diep, en zijn gelaatstrekken fijn gevormd. Zijn hoofd was getooid met dik, zijdeachtig zwart haar. Maar het kan niet alleen de esthetische indruk of de muzikale klank van zijn stem zijn geweest die me zo snel op mijn gemak stelde. Hij was voorkomend, zij het gereserveerd; toch gaf hij me na een gesprek van een half uur het gevoel dat ik hem al bijna mijn hele leven kende. En hoewel er niets opvallend losjes aan hem was, straalde zijn houding een duidelijk gevoel van evenwicht en harmonie uit. Bovendien was er een onderstroom van menselijke warmte die zorgde voor de sfeer van spirituele verbondenheid tussen ons.

Dit waren mijn eerste indrukken van de heer Jiddu Krishnamurti uit Adyar (Madras, India), Kasteel Eerde (Ommen, Nederland), Arya Vihara (Ojai, Californië) en het Amfitheater (Sydney, Australië).

III

Jiddu Krishnamurti werd in 1897 geboren in Madanapalle, in Zuid-India. Hij was het achtste kind van een brahmaans gezin. Zijn vader, Narayaniah, bekleedde een bescheiden functie bij de overheid en ging later werken op het hoofdkwartier van de Theosofische Vereniging in Adyar, Madras. Op een dag in 1909, toen de jonge Krishnaji samen met zijn jongere broer Nityananda in de rivier aan het baden was, werden ze opgemerkt door dominee Charles Leadbeater. Leadbeater was de naaste medewerker van mevrouw Besant en een van de leiders van de Theosofische Vereniging. Hij sprak met de jongens en nodigde hen uit in zijn bungalow. En toen vond er iets plaats dat niet alleen invloed zou hebben op het leven van de twee Jiddu-broers, maar ook op dat van vele duizenden mensen over de hele wereld. Leadbeater ontdekte dat de oudste jongen, Krishnamurti, niemand minder was dan het ‘voertuig van de nieuwe Wereldleraar, Heer Maitreya’, wiens laatste aardse incarnatie naar verluidt in de persoon van Jezus Christus had plaatsgevonden.

Dit was een buitengewone ontdekking, zelfs voor een gerenommeerd theosofisch leider. Charles Leadbeater geloofde echter niet alleen in zijn visioen, maar wist ook mevrouw Besant van de waarheid ervan te overtuigen; vervolgens kwam een ​​reeks gebeurtenissen op gang die in de moderne geschiedenis nauwelijks hun gelijke kent. Krishnamurti moest worden voorbereid op zijn missie, en zowel hij als zijn broer Nitya werden onder de hoede van Charles Leadbeater geplaatst.

– Nitya fungeerde daarbij slechts als speelkameraad voor zijn meer verheven broer.

Omdat er eerder al geruchten over Leadbeater de ronde hadden gedaan, eiste vader Narayaniah zijn twee jongens terug. In de ogen van de vader woog de eerdere slechte reputatie van Leadbeater zwaarder dan de mogelijke toekomstige roem van zijn eigen zoon. Er volgde een langdurige strijd, zowel buiten als binnen de rechtszaal. Mevrouw Besant werd aangesteld als voogd van de jongens; een opeenvolging van sensationele gebeurtenissen hield krantenverslaggevers lange tijd bezig, totdat Charles Leadbeater uiteindelijk India moest verlaten en de jongens naar Engeland werden gestuurd. Ze zouden daar onderwijs krijgen dat voortbouwde op de basis die in India was gelegd, en dat de jonge Krishnaji zou voorbereiden op zijn toekomstige activiteiten in de westerse wereld.

De goedkope publiciteit rond de band tussen Krishnamurti en de heer Leadbeater overschaduwde volledig de positieve aspecten van die relatie voor de jongen. Krishnamurti erkende later dat hij dankzij de heer Leadbeater had kunnen profiteren van een veelzijdige opleiding, waarin het beste van oosterse en westerse onderwijsmethoden werd gecombineerd. Slechts weinigen in India hadden toegang tot dergelijk onderwijs. Dankzij de heer Leadbeater was hij weggehaald uit een leven van armoede en ongezonde leefomstandigheden, en ondergebracht in een omgeving die gunstig was voor zowel lichaam als geest. Krishnamurti erkende ook dat de heer Leadbeater altijd een zeer zorgzame voogd was geweest, en dat hij zich altijd had opgesteld als een leraar die oprecht begaan was met het geestelijk en lichamelijk welzijn van zijn pupil. Gezien de laster waarmee de heer Leadbeater jarenlang te kampen had, is het belangrijk om de feiten weer te geven zoals ze werkelijk waren.

Ondertussen was er in India een nieuwe organisatie opgericht: ‘De Orde van de Ster in het Oosten’ (The Order of the Star in the East). Het doel hiervan was een platform te bieden voor de boodschap van Krishnamurti: “de komst van een Wereldleraar verkondigen en de wereld op die gebeurtenis voorbereiden”. De meeste leden waren theosofen. Samen met mevrouw Besant geloofden zij heilig in de waarheid van de visioenen van Charles Leadbeater en in de rol die Krishnamurti zou spelen in de toekomstige geschiedenis van de mensheid. Toch waren er binnen de Theosofische Vereniging kleine groeperingen die zich niet konden vinden in de nieuwe leer en zich genoodzaakt zagen de beweging te verlaten. De Duitse afdeling van de Theosofische Vereniging keurde de Krishnamurti-legende niet alleen af, maar scheidde zich onder leiding van Rudolf Steiner ook volledig af.

Er bestaat nog een andere lezing over het ontstaan ​​van Krishnamurti’s “goddelijke missie”. Bijna niemand kent deze; ik hoorde hem voor het eerst van Ouspensky. Omdat de bron echter onberispelijk is, zal ik hem hier weergeven, ook al lijkt Krishnamurti er zelf niet van op de hoogte te zijn.

Volgens deze lezing was Leadbeaters oorspronkelijke “visioen” puur verzinsel. Hij en mevrouw Besant zouden ervan overtuigd zijn geweest dat een jong mens dat als “messias” werd grootgebracht – op passende wijze opgeleid en gesteund door een wereldwijde golf van liefde en het blinde vertrouwen van grote massa’s mensen – bepaalde Christusachtige eigenschappen zou moeten ontwikkelen. Het lijkt erop dat Leadbeater en Annie Besant tot het einde toe geloofden dat Krishnamurti zich op die manier op natuurlijke wijze ontwikkelde tot de persoonlijkheid van de “Wereldleraar”.

Het verschil tussen de algemeen bekende lezing en de hierboven beschreven versie is niet zo groot als het op het eerste gezicht lijkt; in beide gevallen beweerden Leadbeater en mevrouw Besant namelijk niet dat Krishnamurti de messias was, maar dat er ongeveer twintig jaar voorbereiding nodig zou zijn om hem te laten uitgroeien tot het “volmaakte voertuig” voor de messias. Hoe dan ook, ze leken niet te twijfelen aan de goede afloop van hun methode.

Van 1912 tot 1922 woonden Krishnamurti en zijn broer in Engeland, waar ze onderwijs kregen, deels op privéscholen en deels van privéleraren. Ze brachten hun vakanties door bij Lady De La Warr, die een soort voogd voor hen werd. Het was de bedoeling dat Krishnamurti naar Cambridge zou gaan, maar toen bleek dat de universiteitsleiding niet happig was op de toelating van een jongeman met zo’n uitzonderlijke bekendheid, werd besloten dat hij zijn studie onder privéleraren zou voortzetten.

Hij was intelligent en scherpzinnig, en leek westerse kennis met veel meer enthousiasme en betere resultaten op te nemen dan de gemiddelde Engelse jongen. Hoewel bepaalde invloeden tijdens zijn vroege jeugd in Adyar wellicht nadelig voor hem waren geweest, lijdt het geen twijfel dat de spirituele vorming die hij in die jaren onderging, en het besef van grote verantwoordelijkheid dat hem was bijgebracht, een gunstig effect hadden. In Engeland was Krishnamurti net zo geliefd bij iedereen met wie hij in contact kwam als in India. Zijn persoonlijke charme, die op mij al in de eerste minuten van onze ontmoeting indruk had gemaakt, moet op anderen hetzelfde effect hebben gehad. Ook de invloed van een vrouw met de wijsheid en ervaring van mevrouw Besant was ongetwijfeld heilzaam. Velen stonden vijandig tegenover mevrouw Besant – wellicht niet ten onrechte – maar weinigen twijfelden aan de oprechtheid van haar intenties en de kracht van haar intellect. Een dergelijke mentor liet onvermijdelijk een diepe indruk achter op de geest van een gevoelige jongeman.

Na 1921 begon Krishnamurti een zelfstandiger leven te leiden. Hij reisde veel; hij besteedde steeds meer tijd aan het schrijven van poëzie en schreef ook artikelen voor de vele internationale publicaties van de ‘Orde van de Ster’. In die periode begon Krishnamurti vriendschappen te sluiten met mensen buiten de invloedssfeer van de Theosofische Vereniging en los van de schaduw van zijn eigen roem. Hij legde de basis voor vele waardevolle vriendschappen met letterkundigen, kunstenaars en musici, die zich allen aangetrokken voelden tot de charme van zijn persoonlijkheid.

Afbeeldingen vergroten door te klikken


Misschien wel de hechtste vriendschap – en voor ons de meest interessante – was die met Bourdelle, de Franse beeldhouwer. Na de dood van Rodin gold Antoine Bourdelle als de vooraanstaande Franse beeldhouwer en reikte zijn roem tot ver buiten Europa. In de tijd dat de vriendschap tussen de oude kunstenaar en de Indiase jongeman volledig was uitgekristalliseerd, publiceerde L’Intransigeant een verslag van een interview met Bourdelle. Bourdelle was bij hun eerste ontmoeting diep onder de indruk geraakt van Krishnamurti en had vervolgens een grote buste van hem geboetseerd. Hij beschouwde dit werk altijd als een van zijn belangrijkste; ik herinner me dat de buste van Krishnamurti een ereplaats kreeg tijdens een postume tentoonstelling van Bourdelles beeldhouwwerk in Londen. “Als men Krishnamurti hoort spreken, staat men versteld,” zei Bourdelle tegen de verslaggever van L’Intransigeant; “zoveel wijsheid in zo’n jong iemand!” Krishnamurti was duidelijk een bijzondere persoonlijkheid, ook los van de etiketten die zijn vurige volgelingen hem hadden opgeplakt. “Er is niemand,” vervolgde Bourdelle, “die onpersoonlijker is, wiens leven meer aan anderen is gewijd… In de woestijn van het leven is Krishnamurti een oase.”

Krishnamurti had de meeste volgelingen in Engeland, maar het was interessant om te zien welke indruk hij maakte op de Fransen; zij staan ​​erom bekend dat ze doorgaans afwijzend staan ​​tegenover spirituele verschijnselen die niet in logische termen te definiëren zijn. Nergens zijn er zoveel waardevolle boeken en artikelen over Krishnamurti verschenen als in Frankrijk. Fransen met een artistieke inslag waren de eersten die zich tot zijn persoonlijkheid aangetrokken voelden, los van zijn roem of zijn vermeende missie in de wereld. De combinatie van een fraai uiterlijk en een gevoelige persoonlijkheid moest wel indruk maken op mensen met de artistieke en intellectuele verfijning die de Fransen eigen is. Krishnamurti’s exotische persoonlijkheid vormde ongetwijfeld een extra aantrekkingskracht voor zijn Franse bewonderaars.

Even typerend als zijn populariteit in Frankrijk, was het wantrouwen waarmee hij in Duitsland werd bekeken. Het feit dat Krishnamurti’s boodschap in een vreemde taal werd overgebracht, beperkte de reikwijdte van zijn invloed. In de eerste plaats sprak hij alleen die Duitsers aan die Engels begrepen. Dit waren veelal hoogopgeleide mensen, die in een spirituele boodschap een heldere filosofische structuur verwachtten te vinden. Het was dezelfde groep mensen die ook belangstelling had getoond voor Steiner, Keyserling en Stefan George. Voor de intellectuele honger van deze mensen bood Krishnamurti’s leer niet genoeg inhoudelijke diepgang, en zijn esthetische kwaliteiten hadden hier weinig effect.

In 1925 oordeelde de Theosofische Vereniging dat het moment was aangebroken waarop Krishnamurti zijn bestemming op meer ‘formele wijze’ moest erkennen; deze officiële erkenning vond vervolgens plaats tijdens de viering van het jubileum van de Vereniging. Theodore Besterman, een biograaf van mevrouw Besant, beschrijft op zeer treffende wijze… “… In de schaduw van de grote banyanboom op het terrein van het hoofdkwartier in Adyar sprak de heer Krishnamurti een gehoor van zo’n drieduizend afgevaardigden toe. … Enkele aanwezigen waren op de hoogte van wat er stond te gebeuren en deelden hun opwinding met de mensen om hen heen. Het hele publiek verkeerde in een toestand waarin het individu opging in de massa – een sfeer die deed denken aan een religieuze opwekkingsbijeenkomst. … De woorden van de spreker werden steeds dringender. ‘We verwachten Hem allemaal,’ zei hij; ‘Hij zal spoedig bij ons zijn.’ Een pauze, en toen – met een dramatische overgang van de derde naar de eerste persoon – vervolgde de stem: ‘Ik kom tot hen die medeleven zoeken, die geluk verlangen. … Ik kom niet om te vernietigen, maar om op te bouwen.’ … En achteraf zei mevrouw Besant dat ‘de stem die al tweeduizend jaar niet meer op aarde was gehoord, opnieuw had geklonken’.”

Er werd besloten dat Krishnamurti meer moest hebben dan alleen de spirituele invloedssfeer die de ‘Orde van de Ster’ bood; daarom werden er diverse stukken grond aangekocht voor de inrichting van enorme kampen op verschillende continenten. In de Ojai-vallei in Californië werd een geschikt terrein verworven, waar mensen uit heel Amerika konden samenkomen voor jaarlijkse bijeenkomsten waarop Krishnamurti zijn boodschap zou verkondigen. Californië lag Krishnamurti bijzonder na aan het hart, aangezien zijn geliefde jongere broer Nityananda daar enkele jaren eerder was overleden. Voor de Australische volgelingen werd in Sydney een amfitheater gebouwd, en voor de Indiase vrienden een kamp in de Rishi-vallei. Een Nederlandse edelman, baron Philip Pallandt van Eerde – een enthousiast bewonderaar van Krishnamurti – stelde zijn kasteel Eerde bij Ommen, inclusief de oude tuinen en het uitgestrekte landgoed, ter beschikking. Eerde zou fungeren als Krishnamurti’s Europese hoofdkwartier; hier zouden zijn Europese volgelingen samenkomen voor een grootschalig kampement dat elke zomer plaatsvond. In januari 1927 sprak Krishnamurti tijdens een bijeenkomst in Californië en besloot hij zijn toespraak met het voorlezen van een van zijn recente gedichten, dat eindigde met de woorden:

“Ik ben de Waarheid,
Ik ben de Wet,
Ik ben de Toevlucht,
Ik ben de Gids,
De Metgezel en de Geliefde”.

De beeldende verslaggever van The Theosophist voegde daar een poëtische beschrijving van de situatie aan toe: “Terwijl de laatste woorden klonken, viel er een lichte regen die als een zegen aanvoelde, en over de vallei heen verscheen een volmaakte regenboog.” Ondertussen reisde mevrouw Besant van land naar land; ze gaf lezingen in overvolle zalen en sprak op meesterlijke wijze over de nieuwe Wereldleraar.

Veel details van dit buitengewone “levensverhaal” schoten door mijn hoofd toen Krishnamurti de kamer binnenkwam. Maar na een gesprek van een halfuur met hem was ik bereid de meeste verhalen die ik had gehoord te vergeten. Het kleurrijke verhaal van zijn leven leek me niet langer van groot belang. Hoezeer ik gelijk had, kon ik op dat moment nog niet voorzien.

We gingen als vrienden uit elkaar en ik nam de uitnodiging aan om bij Krishnamurti op Eerde te komen logeren. Daar zou ik zijn vrienden uit de hele wereld ontmoeten; en behalve dat ik naar zijn openbare toespraken zou luisteren, zou ik ook de gelegenheid krijgen voor verdere persoonlijke gesprekken.

IV

In de loop van de zomer ben ik zelfs twee keer naar Eerde geweest. De eerste keer kon ik er maar twee of drie dagen doorbrengen, dus besloot ik Krishnamurti een maand later opnieuw te bezoeken; dan zou ik minstens tien dagen kunnen blijven en getuige kunnen zijn van de enorme bijeenkomst van theosofen en leden van Krishnamurti’s eigen beweging. Er zouden veel bezoekers komen uit de Verenigde Staten, India en zelfs Australië.


Voor een fictieschrijver zou de sfeer in Eerde waarschijnlijk de meest aantrekkelijke stof bieden. Ik kon me allerlei boeken voorstellen die erdoor geïnspireerd waren: psychologische, devotionele, religieuze, romantische, hysterische, lyrische of satirische werken. Wat zou het voor een romanschrijver verleidelijk zijn geweest om het kasteeltje te beschrijven – een elegant bouwwerk uit het begin van de achttiende eeuw, oprijzend uit een slotgracht en met het ‘vasteland’ verbonden door een bekoorlijk halfrond terras; de romantische gracht, overspannen door een sierlijke stenen brug; lange, lage bijgebouwen aan weerszijden van het kasteel; en de formele, cirkelvormige tuin ervoor. En wat een mogelijkheden bood het eeuwenoude park rondom het kasteel, met zijn statige lanen, prachtige bomen, velden, de rivier en de waterlelies op de vijver!

En dan de gasten zelf: ze dwaalden vol eerbied over de tuinpaden, bespraken onder oude bomen de diepste levensvraagstukken en begroetten elkaar met een vergevingsgezinde glimlach en een blik vol begrip.

Er waren blonde Scandinavische meisjes met een doorschijnende huid en stemmen die zo zacht klonken dat ze onmogelijk iets anders dan het allerheiligste leken te kunnen uitspreken. Sommigen hielpen in de keuken, anderen op kantoor, en ’s avonds zaten ze bij elkaar en hielden ze elkaars hand vast. Hoewel ik het niet zeker weet, vermoed ik dat het ‘discipelen’ waren die door hun geloof waren bewogen om hun comfortabele huis in Oslo of Stockholm te verlaten en naar het kasteel te komen om zich in te zetten voor het algemeen belang. Er waren ook diverse Amerikanen; in hun mond verloren begrippen als meesters, goeroes en astrale werelden hun etherische karakter en werden ze op overtuigende wijze heel nuchter en alledaags. Er was een zeer geleerde Franse dame met minstens drie dochters; zij zagen eruit alsof ze de voorkeur gaven aan de Côte d’Azur boven het Nederlandse landschap, maar moesten genoegen nemen met de kennis van hun moeder over allerlei deva’s, Chinese heiligen en Tibetaanse gomtchengs. Er was een Italiaanse gravin die me voortdurend vertelde over weer een nieuwe droom die ze over Krishnamurti had gehad; en er waren verscheidene oudere Engelse dames – stil, vriendelijk en behulpzaam – die opvallend veel sieraden droegen. Hoewel hun sieraden minder opzichtig waren, deden ze op de een of andere manier denken aan de talismannen en amuletten van Afrikaanse volkeren – gemaakt van leeuwentanden of menselijke botten; want hoewel ze meestal van goud en vaak van edelstenen waren, verraadden hun driehoekige of ronde vormen duidelijk dat ze werden gedragen om hun symbolische betekenis, en niet om te voldoen aan een verlangen naar schoonheid. Daarnaast waren er enkele Indiërs van onbepaalde leeftijd maar duidelijk hoogopgeleid; ’s avonds verschenen ze soms in hun fraaie traditionele jassen, met nauwsluitende witte broeken en gekleurde schoenen – tot afgunst van hun Amerikaanse, Nederlandse, Britse en Scandinavische broeders, van wie velen eenvoudige sandalen droegen en er stukken minder schilderachtig uitzagen. Een aantal charmante Australiërs en Anglo-Indiërs, plus een Schots echtpaar, maakten het gezelschap compleet.

Een fictieschrijver zou nog betere modellen en levendiger ‘lokale kleur’ ​​hebben gevonden in het grote kamp, ​​dat in de bossen op enkele mijlen van het kasteel lag. Lezers die ooit een theosofisch congres – of eigenlijk welk religieus congres dan ook – hebben bijgewoond, zullen het type wel kennen; ik zal er dan ook niet verder over uitweiden. Over het algemeen hebben ze een even grote afkeer van vlees als van wijn of tabak; ze kijken je diep in de ogen als ze met je praten; ze hebben een zwak voor sandalen, voor kleding zonder uitgesproken snit, voor grovere stoffen en voor kleuren als mauve, flessengroen en purper. De mannen laten hun haar lang, terwijl de vrouwen het kort houden. Er bevonden zich onder hen verscheidene arbeiders en boeren die jarenlang hadden gespaard om hierheen te kunnen komen. Twee Duitse jongeren waren in twee of drie weken tijd vanuit een afgelegen deel van Duitsland hierheen gelopen. De drieduizend bezoekers hadden inderdaad een veel begaafdere pen verdiend dan de mijne.

De organisatie van het kamp was in handen van enkele Nederlandse volgelingen van Krishnamurti – ervaren zakenlieden – die erin geslaagd waren midden in onbewoonde bossen en velden deze voorbeeldige kampstad uit de grond te stampen. Toeristen en journalisten uit vele landen kwamen speciaal naar het kamp, ​​en organisatoren van soortgelijke bijeenkomsten reisden uit verre oorden aan om van de organisatie in Ommen te leren. Er stonden rijen op rijen tenten in allerlei formaten; er waren doucheruimtes en aantrekkelijke houten gebouwtjes met een postkantoor, boekhandel, fotograaf, EHBO-post en informatiebalie. In enorme eettenten werden uitstekende vegetarische maaltijden geserveerd; er was een lezingentent met zitplaatsen voor drieduizend mensen en zelfs een openluchttheater. Overal trof men behulpzame gidsen en tolken aan, en heerste er een fijne sfeer van saamhorigheid.

Omdat de Nederlandse zomer soms zwaar viel – met aanhoudende regen en ijzige wind – zullen de zenuwen van de mensen wel enigszins op de proef zijn gesteld. Harmonie kon alleen door zelfbeheersing worden bewaard. Het niet beheersen van de taal vormde voor velen ongetwijfeld een lastige belemmering. Sommigen waren wellicht louter gekomen voor een nieuwe ervaring en menselijk contact; Serviërs, Russen, Zuid-Amerikanen, Roemenen, Turken en Grieken die nauwelijks een woord Engels kenden, konden immers niets van de lezingen verstaan. Toch bleven de meesten tot de laatste dag opgewekt. Dit was ongetwijfeld voor een groot deel te danken aan de efficiënte organisatie.

Aangezien ik niet op het kampterrein verbleef – ik kwam er alleen voor de lezingen en af ​​en toe een maaltijd – was ik veel beter bekend met het dagelijks leven in het kasteel.

V

Omdat het kasteel zelf niet groot genoeg was om de twintig of meer persoonlijke gasten van Krishnamurti te huisvesten, werden de meesten van ons ondergebracht in het lange paviljoen naast het kasteel. Behalve Krishnamurti en zijn beste vriend Rajagopal, het hoofd van de hele organisatie, verbleven slechts enkele vrienden in het kasteel zelf. De eetkamer, bibliotheek, ontvangstkamers en kantoren bevonden zich op de begane grond. In de ontvangstkamers stonden diverse fraaie Hollandse meubelstukken en de belangrijkste kamer, de staatsiekamer, bevatte, naast een aantal fraaie lambriseringen, vier prachtige Vlaamse wandtapijten die speciaal voor het kasteel waren gemaakt. Een ingenieuze houten trap in Lodewijk XIV-stijl leidde van de hal naar de eerste verdieping en de slaapkamers.

De vorige eigenaar van het kasteel, Baron van Pallandt, was een rustige heer van middelbare leeftijd, die slechts een of twee kamers in het kasteel voor zichzelf had gehouden. Hij bleef het grote landgoed beheren, en al het secretariaatswerk, administratief werk en huishoudelijk werk, naast de organisatie van de beweging zelf, werd vrijwillig gedaan.

Ik verbleef in een van de twee paviljoens, waar alle kamers gelijk waren – eenvoudig, aantrekkelijk en comfortabel. Iedere gast moest zijn eigen kamer verzorgen en zijn eigen bed opmaken. Totdat echter na een dag of twee, een vriendelijke geest ontdekte dat mijn talent voor huishoudelijk handwerk meer origineel dan effectief was, werd er niet langer van mijn diensten op dit gebied verwacht. De rest van mijn verblijf daar trof ik, wanneer ik na het ontbijt terugkwam in mijn kamer, mijn bed al met bewonderenswaardige vaardigheid opgemaakt aan.

’s Morgens verzamelden we ons in de grote staatsiezaal. We trokken onze schoenen uit – meer ervaren gasten dan ik verschenen in pantoffels – en gingen op de grond zitten om te mediteren. Misschien was het mijn aangeboren cynisme dat me ervan weerhield om zo van de ochtendmeditaties te genieten als ik had moeten doen. Het bracht me altijd in de verkeerde stemming.


Er waren verschillende problemen met betrekking tot de ochtendmeditaties, waarover ik graag meer inzicht wilde krijgen. Natuurlijk had ik het aan een van de andere twaalf of vijftien aanwezigen kunnen vragen, maar ik durfde het nooit, uit angst dat ze erachter zouden komen hoe onwetend ik eigenlijk was. Ik wilde hen vragen of ze het nodig vonden om in een groep te mediteren. Ik geloofde oprecht in meditatie, maar ik vond het altijd veel effectiever in stilte of met één metgezel. Net wanneer ik in de juiste stemming kwam, moest een van de mediteerders niezen of hoesten, en daarmee was mijn beperkte concentratievermogen volledig verdwenen.

En ik had ook graag willen vragen of het essentieel was om op de grond te zitten zonder dat ons van tevoren was uitgelegd hoe dat moest. De meesten van ons waren opgegroeid in de westerse wereld en waren niet gewend aan oosterse gebruiken. Ik merkte dat mijn aandacht steeds naar mijn pijnlijke rug en enkels ging, waardoor een groot deel van de energie die ik voor iets beters had kunnen gebruiken, verloren ging. Oosterse meditatiehoudingen worden uitsluitend onderwezen via de yoga van lichaamsbeheersing en kunnen alleen met succes in het Verre Oosten worden aangeleerd. Van de vierentachtig verschillende houdingen voor de diverse meditaties zijn er slechts een paar eerste ooit door een Europeaan beheerst. Zelfs de elementaire ‘lotushouding’, die onmisbaar is voor meditatie in de houding die mijn medemediteerders aannemen, kan pas comfortabel worden aangenomen na vele geduldige en pijnlijke oefeningen. Hoe kon ik dan van al deze mensen, van wie de meesten nog nooit in het Oosten waren geweest of de essentiële training hadden ondergaan, verwachten dat ze de nodige beheersing over hun lichaam zouden hebben? Ik kon met eigen ogen zien dat bijna niemand van hen in de juiste houding zat – die van ineengestrengelde enkels en een rechte rug. Misschien wel het ergste teken van mijn eigen onvolwassenheid was het feit, dat de aanblik van al deze mensen die daar op blote voeten zaten, bij mij altijd een jongensachtige neiging tot practical jokes opriep.

Als ik niet zo tekort was geschoten, zouden de ochtendmeditaties me ongetwijfeld een bron van inspiratie zijn geweest. Iemand las een paar woorden voor – ik geloof dat het altijd een uitspraak van Krishnamurti was – en daarna moesten we erover mediteren. De strak gesloten ogen van de andere gasten maakten me jaloers op de heerlijke tien minuten die zij in een zalige gemoedstoestand doorbrachten.

Vanuit de staatsiekamer gingen we naar de eetzaal voor het ontbijt, dat altijd een aangename maaltijd was, met uitstekende honing en heerlijke notenpasta’s. Ook de lunch was een zeer aantrekkelijke maaltijd, niet alleen vanwege de kwaliteit van de vegetarische gerechten, maar ook omdat honger, en het plezier om die te stillen, veel gasten ertoe aanzette hun terughoudendheid te laten varen en meer persoonlijkheid te tonen dan men op andere momenten tijdens gesprekken had verwacht.

Over het algemeen zorgde iedereen voor zijn eigen behoeften, maar ik mocht vaak Annie Besant bedienen en ik had meerdere keren het voorrecht om naast haar te zitten tijdens de maaltijden, en telkens weer was het een vreugde om in de nabijheid van deze bijzondere vrouw te verkeren. Er ging iets kinderlijks van haar uit – niet de kinderachtigheid van de ouderdom, maar eerder de wezenlijke eenvoud en vrolijke aard van een kind. Je voelde dat ze zoveel meer wist dan ieder ander die aanwezig was; maar haar grotere wijsheid en ervaring stonden haar er nooit van weerhouden om zelfs de jongste leden van het gezelschap als gelijken te behandelen.

De sfeer van heiligheid die rond Eerde hing – als een roze wolk in een toneelstuk – maakte me enigszins sceptisch; en toch had de eerste ontmoeting tussen Annie Besant en Krishnamurti, bij haar aankomst op het kasteel, diepe indruk op me gemaakt.

Krishnamurti stond in de ronde tuin voor het kasteel te wachten op de auto die zijn gast zou brengen. Hij stond daar alleen, terwijl wij – zijn andere gasten – op de achtergrond bleven. Het was duidelijk dat hij nerveus was. Toen de auto arriveerde, liep Krishnamurti ernaartoe om het portier te openen. Annie Besant stapte uit, gekleed in een wit Indiaas gewaad met witte schoenen en een witte sjaal over haar sneeuwwitte haar. Krishnamurti boog zijn hoofd en kuste de hand van de oude dame. Zij op haar beurt legde beide handen op zijn zwarte haar en fluisterde hem enkele woorden toe. Haar gezicht straalde de diepste tederheid uit en ik zag dat ze huilde. Het was overduidelijk dat hun begroeting voortkwam uit persoonlijke genegenheid en niets te maken had met hun theosofische band. Krishnamurti nam Annie Besant bij de arm en begeleidde haar langzaam naar het kasteel. Wij werden aan haar voorgesteld en schudden haar de hand. Haar ogen waren nog vochtig en een liefdevolle glimlach speelde nog om haar lippen.

Krishnamurti kwam bijna nooit naar beneden voor het ontbijt. Meestal bleef hij in zijn slaapkamer. Het was een heel eenvoudige kamer, waarschijnlijk de kleinste van het hele kasteel. Elke ochtend na het ontbijt liepen enkele van zijn nauwste medewerkers de trap op en verdwenen in een kamer die in verbinding stond met Krishnamurti’s slaapkamer. Deze ochtendprocessies wekten mijn nieuwsgierigheid. Ik stelde me mysterieuze gebeurtenissen achter de deuren voor: bijzondere inwijdingen of mentale oefeningen van een hogere orde, uitsluitend voorbehouden aan de ‘inner circle’. Ik ben er nooit achter gekomen wat er zich achter die deuren afspeelde; waarschijnlijk werden er huishoudelijke rekeningen en kwesties van alledag besproken.

’s Ochtends en op de meeste middagen waren er lezingen in de grote tent in het bos. Krishnamurti sprak bijna elke dag; daarna volgden toespraken van Annie Besant, de heer Jinarajadasa (vicevoorzitter van de Theosofische Vereniging), de Fransman professor Marcault, de Nederlandse geleerde dr. Van der Leeuw en een of twee andere volgelingen van Krishnamurti. De kern van Krishnamurti’s toespraken was dat het rijk van geluk in onszelf ligt, en de andere sprekers hanteerden grotendeels dezelfde opvattingen. Krishnamurti’s belangrijkste toespraken waren van autobiografische aard; daarin probeerde hij uit te leggen hoe hij zelf de waarheid had gevonden door het ene na het andere conventionele levensbeeld los te laten.

’s Middags vonden er diverse bijeenkomsten in het kasteel plaats, vaak in aanwezigheid van bezoekers – zowel mensen die er recht op hadden , als bezoekers van een minder legitieme, maar wel opdringerigere soort. Veel mensen uit het kamp kwamen kijken naar het huis waar hun profeet woonde. Ze werden mee naar binnen genomen en door de stille tuinpaden geleid, waarbij ze vaak nauwelijks een woord durfden te zeggen. Er waren ook dagjesmensen en toeristen die over de nieuwe messias uit India hadden gehoord; zij gluurden door de hekken, alsof ze elk moment wonderbaarlijke gebeurtenissen verwachtten. Ze bekeken Krishnamurti’s gasten, blijkbaar in de overtuiging dat wij discipelen van een magiër of een yogi waren. Telkens als ik het kasteel verliet of erheen terugkeerde, merkte ik de nieuwsgierige blikken op van de inzittenden van auto’s en hoorde ik hun geïnteresseerde gepraat. Dit bracht me in verlegenheid en deed me wensen dat ik de gave had om witte konijnen uit mijn jaszak of vlammen uit mijn mond tevoorschijn te toveren, aangezien ik altijd het gevoel had dat de mensen in de auto’s niet de hoffelijkheid kregen waarop ze meenden recht te hebben.

In de hal van het kasteel stond een zeer grote en gloednieuwe grammofoon, die Krishnamurti van een van zijn bewonderaars had gekregen en die daar was neergezet voor het vermaak van de gasten. Ik wist dat Krishnamurti een groot muziekliefhebber was, en op een avond trof ik hem alleen aan in de hoek van een kleine studeerkamer die aan de grote hal grensde. Het was na het diner en de kamer was vrij donker. Ik kan me de plaat nog herinneren: het was het langzame deel van het strijkkwartet in g-mineur van Debussy – dat bijna onwerkelijke stuk vol vreemd gekleurde cascaden en plotselinge, melancholieke pauzes. Telkens als ik dat deel hoor, zie ik de nacht over het kasteel en Krishnamurti die in zijn eentje in het kleine kamertje zit en vol vreugde naar de violen luistert.

Verscheidene leden van ons gezelschap hielden van muziek en brachten de avond door met luisteren naar de grammofoon. De voorkeur ging blijkbaar uit naar Parsifal, Götterdämmerung en Siegfried. De luisteraars zaten precies zo als je zou verwachten wanneer ze zich overgaven aan de verheven verveling van Kundry’s eindeloze klaagzangen of Siegfrieds verhalen. Hun ogen waren gesloten, hun zielen ongetwijfeld wijd open; op hun gezichten lag een mengeling van geluk en eerbied, en je kon de zilveren en mauve, etherische beelden zien die de muziek voor hen schilderde. Misschien was ik te lichtzinnig voor hen; soms schrok ik oprecht van mijn eigen cynisme en nam ik me voor nooit meer kritische opmerkingen te maken, zelfs niet in gedachten. En toch was er één ding dat werkelijk aanleiding gaf tot enige irritatie.

VI

Omdat ik de ware betekenis van Krishnamurti’s leer niet kon doorgronden, bekroop me de angst dat mijn bezoek op een totale mislukking zou uitlopen. Krishnamurti’s lezingen waren te vaag om me duidelijke antwoorden op mijn vragen te geven.

Ik had gehoopt die antwoorden te vinden bij de mensen die in het kasteel verbleven en die precies moesten weten wat er bedoeld werd. Ze waren maar al te bereid me te helpen, maar het leek me alsof ze allemaal hun persoonlijkheid hadden opgeofferd om lid te kunnen worden van de Orde van de Ster in het Oosten. Ik sprak gedurende de dag met velen van hen, maar ze lieten te weinig indruk achter om ze later in mijn herinnering van elkaar te kunnen onderscheiden. Ze kwamen me allemaal tegemoet; ze spraken over reïncarnatie en karma met een begripvolle glimlach, alsof het ging over de volgende trein van Ommen naar Hoek van Holland. Ze deden hun uiterste best om Krishnamurti na te bootsen, om vriendelijk en oprecht te zijn, of om grapjes te maken en te laten zien hoe opgewekt ze waren. Maar ik bevond me niet tussen artsen, boeren, onderwijzers, politici of huisvrouwen; ik was simpelweg onder theosofen en leden van de Orde van de Ster. Ik had verwacht dat hun nieuwe spirituele ervaring hen meer inzicht zou hebben gegeven in hun eerdere problemen, en dat ze met meer begrip over de wereld zouden spreken. Overal ter wereld vonden politieke en economische congressen, religieuze debatten en vlootconferenties plaats; er werd geëxperimenteerd met nieuwe stromingen in kunst, literatuur, muziek, theater en film; de wereld sprak over werkloosheid en herstelbetalingen; er waren duizenden zaken die besproken of verbeterd moesten worden – maar niets daarvan leek tot in de bossen van Eerde te zijn doorgedrongen.

Op een dag kreeg ik te horen dat het moment was aangebroken waarop de boodschap van Krishnamurti gehoord zou worden door de buitenwereld, die er tot dan toe alleen via vervormde krantenberichten kennis van had genomen. Er zou een nieuw medium worden opgezet. Men vroeg om mijn mening, aangezien ik enige ervaring had en over perscontacten beschikte die van pas konden komen. De publicaties van de Orde van de Ster – tijdschriften, pamfletten en nieuwsbrieven – werden door amateurs verzorgd. Ik wist dat de buitenwereld alleen bereikt kon worden door een taal te gebruiken die voor haar begrijpelijk was. Religieuze poëzie of verslagen van persoonlijke visioenen zouden waarschijnlijk geen indruk maken op mannen en vrouwen die gewend waren aan een nuchtere, zakelijke wereld. Die advocaten, zakenlieden, theologen en wetenschappers uit de buitenwereld zouden Krishnamurti’s ideeën alleen begrijpen als ze op een heldere en zakelijke manier werden gepresenteerd. Men moest inzien dat men niet met dromers te maken had, maar met mensen die de wereld beter kenden dan anderen, en die daardoor wellicht in staat waren enkele van de meest prangende problemen op te lossen.

De weinige mensen met wie de plannen werden besproken, luisterden geduldig naar mijn suggesties; Ze knikten instemmend en verzekerden me dat dit de juiste aanpak was. In de praktijk werd geen enkele van deze suggesties overgenomen, en de gebeurtenissen in de daaropvolgende maanden lieten zien dat er nog steeds gebruik werd gemaakt van een metaforisch en semi-theosofisch jargon om de buitenwereld voor te lichten over de ‘Wereldleraar’.

VII

Ik ben ervan overtuigd dat ik zelf de enige was die ik de schuld kon geven van mijn intellectuele teleurstelling. De algemene sfeer van verering had verwachtingen bij mij gewekt waaraan simpelweg door niemand en op geen enkele wijze kon worden voldaan. Mijn intellectuele achtergrond deed me hopen op een helderdere boodschap dan Krishnamurti wilde of kon overbrengen. Bij zijn vrienden en volgelingen had ik nog niet die innerlijke heroriëntatie op het leven waargenomen die me in staat zou hebben gesteld de nieuwe boodschap te aanvaarden in de vorm waarin deze werd gepresenteerd.

Ik had genoeg opgevangen om te begrijpen dat Krishnamurti’s leer niet oosters van aard was – dat ze zich afzette tegen passiviteit. Ieder mens moest de waarheid voor zichzelf vinden, naar niemand anders luisteren dan naar zichzelf en eenwording met geluk als het uiteindelijke doel beschouwen. Maar wanneer ik vroeg hoe dit bereikt kon worden, kreeg ik geen duidelijke antwoorden. Het is niet voldoende om de top van de Mont Blanc te zien. Als we de top willen bereiken, moeten we weten wat het gunstigste seizoen is, wat de beste route is en welke uitrusting – zoals de juiste schoenen – we nodig hebben. De meeste antwoorden van Krishnamurti vervaagden in vergelijkingen en metaforen. Als je hem vroeg naar je persoonlijke zorgen, je religieuze overtuigingen, je intellectuele twijfels of je emotionele moeilijkheden, begon hij te praten over bergtoppen en beken die door velden stroomden. Gevraagd naar zijn eigen weg en de weg waarlangs men geluk kon vinden, antwoordde hij: “De directe weg die ik heb bewandeld, zul ook jij bewandelen zodra je de paden die tot complicaties leiden, achter je laat. Alleen die weg verschaft je inzicht in het leven… Wie het rechte pad bewandelt, heeft geen wegwijzers nodig.” Maar waar die directe weg precies lag, of hoe we die moesten vinden, maakte hij niet duidelijk. Op diezelfde dag kon Krishnamurti echter alle paden verwerpen en verklaren dat geen enkel pad beter was dan een ander.

Ik heb verscheidene gesprekken met hem gevoerd en keek telkens vol verwachting uit naar onze ontmoetingen. We spraken met elkaar terwijl we door de bossen en over de velden van Eerde liepen. Op een middag stonden we plotseling voor een charmant huisje – met een plat dak en vrij modern van stijl – dat omringd werd door hoge bomen, maar aan één kant uitzicht bood over de velden. Het was Krishnamurti’s toevluchtsoord, een op zichzelf staande woning waar hij zich aan de mensen kon onttrekken, kon mediteren en in afzondering kon rusten. Hij moet zeer gevoelig zijn geweest voor afzondering. Fysiek was hij niet erg sterk; hoewel hij allerlei sporten beoefende en een groot liefhebber van tennis was, bleef hij nogal tenger en kwetsbaar. Het kamp, ​​met zijn duizenden mensen en de dagelijkse lezingen, gesprekken en bezoekers, moet een zware wissel op zijn gezondheid hebben getrokken.

Ik vond noch in Krishnamurti’s lezingen, noch in zijn boeken intellectuele voldoening, en ik vroeg me af of dit niet aan zijn oosterse afkomst lag. Aan de andere kant had ik geen soortgelijke problemen ervaren bij het lezen van geschriften van oosterse wijzen. Zelfs als men de volledige betekenis ervan niet doorgrondde, bleef er genoeg over om intellectuele voldoening te schenken. Tot de boeken van Krishnamurti die ik probeerde te lezen, behoorden Temple Talks, The Kingdom of Happiness en The Pool of Wisdom. Er waren ook enkele dichtbundels. Ik bewonderde hun oosterse schoonheid en de oprechte toon die eruit sprak, maar de vaagheid ervan liet me met vragen achter. Het is natuurlijk oneerlijk om lyrische poëzie te beoordelen volgens dezelfde maatstaven als wetenschappelijke werken. Aan de andere kant werd verondersteld dat Krishnamurti’s poëzie niet alleen de lyrische ontboezeming van een gevoelige jongeman met een dichterlijke gave bevatte, maar ook verslag deed van een diepgaande ervaring. Toen ik las:

“Zoals de bloem de geur in zich draagt,
Zo draag ik U,
O wereld,
In mijn hart.
Bewaar mij in uw hart,
Want ik ben bevrijding
En geluk.
Zoals de edelsteen
Diep in de aarde rust,
Zo lig ik verborgen
Diep in uw hart…”

…genoot ik van de schoonheid van het gedicht en voelde ik de waarheid ervan aan. Maar dit gedicht, getiteld “I am with thee” en geschreven in 1927, werd door Krishnamurti’s volgelingen – en zelfs door zijn biografe Lilly Heber – van groot belang geacht. Ik meende me te herinneren dergelijke gedichten te hebben gezien in diverse bloemlezingen met oosterse poëzie. Soms trof men zulke gedichten zelfs aan in die dunne bundels, uitgegeven door jongemannen die hun studie aan Oxford of Cambridge hadden afgerond en door sommige Londense critici waren onthaald met voorspellingen over een schitterende literaire toekomst.

Maar hier hadden we niet te maken met een getalenteerde jongeman van wie eerdere gedichten waren geaccepteerd door de redacteur van de Oxford Outlook. We hadden te maken met een leraar die deze titel niet afwees; die duizenden mensen toeliet om naar hem te luisteren en leiding van hem te verwachten, en die zich ongetwijfeld bewust moet zijn geweest van de enorme verantwoordelijkheid die dit alles met zich meebracht. Ik vond dat ik niet alleen recht had op antwoorden, maar ook op antwoorden in een taal die ik kon begrijpen; in een taal die gangbaar was voor mensen in de westerse wereld. Ik meende zelfs perfectie te mogen verwachten in alles wat hij zei en deed. De eenheid tussen inhoud en vorm was van groot belang bij iemand als Krishnamurti. Toen ik las:

“Gij moet u reinigen
Van de hoogmoed van geringe kennis;
Gij moet u zuiveren
Van hart en geest;
Gij moet afstand doen van al
Uw metgezellen,
Uw vrienden, uw familie,
Uw vader, uw moeder,
Uw zuster en uw broeder;
Ja,
Gij moet van alles afstand doen;
Gij moet uw zelf
Volkomen vernietigen
Om de Geliefde te vinden,”

zag ik een glimp van Krishnamurti’s filosofie, maar ik had het gevoel dat diezelfde waarheid minder pretentieus verwoord had kunnen worden: “Gij moet u zuiveren van hart en geest. Gij moet afstand doen van al uw metgezellen, uw vrienden, uw familie, uw vader, uw moeder, uw zuster en uw broeder…” Als we deze regels opschrijven zonder de versindeling van poëzie, erkennen we direct de mooie boodschap die erin besloten ligt, maar we beschouwen ze niet als poëzie. En toch wilde ik dat Krishnamurti poëzie schreef die mensen zou overtuigen, poëzie die ik aan mijn sceptische vrienden zou kunnen laten zien.

Toen ik na verloop van tijd de kern van Krishnamurti’s leer begon te doorgronden, begreep ik dat het ging om volledige bevrijding, wat gelijkstaat aan volkomen geluk. Dit wordt bereikt door liefde en ligt besloten in onze eigen inherente kracht. Krishnamurti omschreef het later als volgt: “Het doel van het menselijk gevoelsleven is liefde die op zichzelf volkomen is, volstrekt onthecht, die noch subject noch object kent; een liefde die aan allen gelijkelijk geeft zonder ook maar iets terug te verlangen, een liefde die haar eigen eeuwigheid is.”

Voor zover ik het begrijp, is dit de leer van Christus, de leer van Boeddha. We hebben deze woorden allemaal gehoord tijdens ons eerste godsdienstonderwijs. Ik vroeg me daarom af: als Krishnamurti’s leer slechts een herhaling is van de leer van Christus of Boeddha, waarom dan al die theosofische achtergrond; waarom de ‘Ster van het Oosten’, die enorme organisatie; Waarom die praatjes over een nieuwe weg; waarom die volgelingen, kampen en etiketten? Zou het niet verstandiger zijn geweest om in onze gevestigde kerken te blijven, die ons duidelijkere woorden aanreiken voor al deze boodschappen? Is het allemaal onzin?

Ik was erg op Krishnamurti gesteld; anders zou ik Eerde al na de eerste paar dagen hebben verlaten. Maar ik wilde dat Krishnamurti mij op mijn eigen manier kon helpen, en de andere drieduizend mensen op hun eigen manier. Ik wilde de cynicus in mezelf ervan kunnen overtuigen dat Krishnamurti gelijk had en in staat was te helpen, en dat hij aan mijn hoogste verwachtingen had voldaan. In plaats daarvan voelde ik me ongemakkelijk wanneer de ‘Saulus’ in mij na elk gesprek met Krishnamurti tegen de ‘Paulus’ zei: “Had ik geen gelijk? Heb je vandaag meer begrepen dan gisteren? Had ik je niet gezegd dat het tijdverspilling zou zijn? Waarom praat je niet liever met de rivieren en de bomen? Hun taal is beter te verstaan.”

En toch waren er mensen, met minder intellectuele weerstand, die de boodschap van Krishnamurti heel helder opvingen. Als ik op die dagen terugkijk, treft me vooral de indruk die Krishnamurti maakte op een man die was opgegroeid in de harde leerschool van het Engelse arbeidersleven, een man die gevormd was door politieke strijd. Ik doel op George Lansbury. Dit schreef de oude arbeidersleider na een van de bijeenkomsten in Ommen: “Ik heb de glorieuze mars van de socialisten gezien in Parijs, Brussel, Stockholm en in ons eigen land, en ik heb hen zien zitten en staan ​​rond ons podium. Maar ik denk dat deze bijeenkomsten rond het kampvuur… op de een of andere manier het allermooiste schouwspel vormen… Wanneer wij socialisten samenkomen, doen we dat met het voornemen te strijden voor de verbetering van de materiële omstandigheden van onszelf en onze medemensen. Rond dit kampvuur luisterden we naar iemand die ons de moeilijkste van alle waarheden bijbrengt… dat als de mensheid verlost moet worden, dit moet gebeuren door het individuele handelen van ieder van ons… Er moet grote hoop zijn voor de toekomst… zolang er mensen in ons midden zijn die zich laten inspireren door een groots ideaal: werken en zwoegen voor onpersoonlijke doelen.”

Ik hoopte dat de heer Lansbury gelijk had en dat sommige van de kenmerken die ik bij Krishnamurti’s volgelingen meende te bespeuren, alleen zichtbaar waren wanneer ze met z’n allen bijeen waren. Misschien spraken en gedroegen ze zich heel anders wanneer ze op zichzelf waren in hun vertrouwde omgeving. Misschien waren al deze mensen in werkelijkheid leiders in hun vakgebied, efficiënt en in staat om hun eigen wereld te hervormen in de richting die zich tijdens hun bezoek aan Eerde aan hen had geopenbaard. Misschien lag het wel aan mijn eigen blindheid dat ik, zelfs toen ik hen later in Londen bij een paar bijeenkomsten en op diverse kantoren zag, opnieuw dezelfde indruk kreeg als in Ommen.

Hoewel mijn verstand kritisch bleef, voelde ik dat ik door het contact met Krishnamurti inderdaad elke dag gelukkiger werd, en dat alleen intellectuele barrières in mijzelf me ervan weerhielden hem volledig te aanvaarden, van harte, zoals ik zo graag wilde. Maar zelfs die reactie irriteerde me. Ik wist dat de drieduizend mensen die hierheen waren gekomen, er net zo op gebrand waren om zijn glimlach op te vangen, en dat ze bijna in een koortsachtige staat verkeerden telkens wanneer Krishnaji – zoals ze hem liefkozend noemden – zich tot hen richtte of hen naderde. Ik had gedacht dat ik kritischer zou zijn dan zij.

VIII


Alleen de avonden rond het kampvuur waren werkelijk indrukwekkend. Na het diner reden we in de auto’s van leden van ons gezelschap naar het kampvuur in het bos. Er was daar een groot amfitheater aangelegd met talloze cirkelvormige rijen zitplaatsen; in het midden daarvan stond de stoel van Krishnamurti zelf. Deze was gemaakt van grote boomstammen en deed denken aan een enorme troon uit de Nibelungen-sage. Telkens als ik die stoel zag, stelde ik me voor dat Wotan, Hunding en de vele kloeke walkuren op dergelijke stoelen moeten hebben gezeten wanneer ze een familiefeest in Walhalla bijwoonden. Krishnamurti – slank, donker en nogal verlegen – oogde vreemd en verloren op zijn Wagneriaanse troon.

De meeste mensen die naar het kamp in Ommen waren gekomen, beschouwden de avondbijeenkomsten – terecht – als het hoogtepunt van de dag. Krishnamurti liep naar het midden van het amfitheater, waar een enorme houtstapel voor een vreugdevuur was klaargelegd; hij stak deze aan en bleef er enkele minuten voor staan ​​kijken hoe de vlammen steeds hoger oplaaiden. Daarna liep hij langzaam terug naar zijn stoel. Rook steeg op naar de hemel en de vlammen wierpen een rode gloed over duizenden aandachtige gezichten. Veel aanwezigen zaten met hun handen rustig in de schoot en hun ogen gesloten; men kon zien hoe intens ze van het moment genoten. ’s Avonds heerste er een feestelijke stemming; er hing een sfeer van menselijke verbondenheid en spirituele voldoening. Voor de drieduizend aanwezigen was het een ware feestdag. Een enkele keer vloeiden het licht van de vlammen en de laatste roze gloed van de zon – die al meer dan een uur eerder was ondergegaan – in elkaar over en ontstonden er opvallende kleureffecten, waarin sommige aanwezigen – naar ik vermoed – symbolische betekenissen meenden te ontdekken.

Ik heb Krishnamurti nooit zo goed horen spreken als tijdens de avonden rond het kampvuur. Over het algemeen was hij niet bepaald een sterk spreker; hij viel vaak in herhaling, hield regelmatig pauzes en veel van zijn zinnen waren te lang. Zijn greep op de massa was niet te danken aan welsprekendheid. ’s Avonds leken de woorden hem gemakkelijker af te gaan en droeg zijn stem melodieus over de zwijgende menigte; de ​​beelden die hij met zijn woorden opriep, werden duidelijker zichtbaar en de sfeer overtuigender.

Af en toe zette hij aan het eind van de avond een Indiaas gezang in, en op zulke momenten maakte hij tijdens zijn toespraak nog meer indruk. Hoewel hij het Engels meesterlijk beheerste, kon men zich niet aan de indruk onttrekken dat het niet zijn eigen taal was; waarschijnlijk was het de melodieuze klank van zijn stem die die indruk wekte. Tijdens de avonden bij het kampvuur werd het contrast tussen zijn persoonlijkheid en de Engelse taal nog opvallender. Hij droeg dan Indiase kleding – een eenvoudige bruine jas die tot onder de knieën reikte en tot aan de hals dichtgeknoopt was, een nauwsluitende witte broek en witte schoenen – en zijn verschijning versterkte de emotie die zijn stem teweegbracht. Bij de Indiase gezangen leek de precieze betekenis van de woorden er nauwelijks toe te doen en was er geen kloof meer tussen de man en zijn woorden; in de onverstaanbare taal klonk de magie door die woorden in een vreemde taal kunnen hebben.

Na zijn gezangen bleef Krishnamurti enkele minuten zwijgend zitten, met een uitdrukking van grote sereniteit op zijn gezicht. Vervolgens stond hij op en liep hij naar de auto die hem terugbracht naar het kasteel.

IX

 Een of twee ervaringen kunnen duidelijk maken welke grote invloed Krishnamurti op mijn leven heeft gehad. Het mag dan toeval lijken dat ik stopte met roken toen ik Krishnamurti voor het eerst ontmoette – op die regenachtige zondagochtend in Westminster. Ik rookte al sinds mijn zeventiende, doorgaans dertig sigaretten per dag, en was min of meer slaaf geworden van die gewoonte. Toch had ik nooit geprobeerd te stoppen, omdat ik daar nooit een overtuigende reden voor had gezien. Zelfs nu kan ik niet goed uitleggen waarom ik juist op de dag dat ik Krishnamurti ontmoette, met roken ben gestopt. We hebben het niet over dit onderwerp gehad; ik wist niet eens dat hij zelf niet rookte. En toch leek het ogenblikkelijk stoppen met roken de meest natuurlijke zaak van de wereld. Hoewel ik nog dagenlang een sigarettenetui in mijn zak bij me droeg, voelde ik nooit de neiging om nog een sigaret op te steken. Sindsdien heb ik ook niet meer gerookt.

Het andere voorval is moeilijker te beschrijven. Ik probeerde al geruime tijd ’s avonds over een bepaald onderwerp te mediteren. Meestal deed ik dat in bed, vlak voordat ik ging slapen. Maandenlang bereikte ik tijdens mijn meditatie een bepaald punt, waarna de meditatie telkens werd afgebroken. Ofwel mijn aandacht verslapte, ofwel ik viel in slaap voordat ik voorbij dat specifieke punt kon komen. Enkele dagen na mijn ontmoeting met Krishnamurti lukte het me voor het eerst wel. Ik ervoer het gevoel alsof ik in een diepe put wegzonk. Hoewel de put bodemloos leek, had ik tegelijkertijd twee tegenstrijdige gewaarwordingen: ik zonk steeds dieper weg, en toch had ik de bodem bereikt. Dit ging gepaard met een zeer levendige gewaarwording van licht. De sterkste indruk was echter dat ik tegelijkertijd een emotionele schok en een wiskundige openbaring onderging. Die laatste gewaarwording is moeilijk te beschrijven; geen enkele metafoor of vergelijking geeft hem juist weer. Hoewel ik mijn ervaring geen mystieke betekenis toedicht, kan ik haar het beste onder woorden brengen door iemand te citeren die beter kan schrijven dan ik. Toen Dean Inge ooit mystieke ervaringen beschreef, zei hij: “Wat beschreven en overgedragen kan worden, is niet het visioen zelf, maar de ontoereikende symbolen waarin de ziener het in zijn geheugen probeert vast te houden. … Maar dergelijke ervaringen – die de mens eerder in hun greep hebben dan dat hij ze beheerst – zijn van nature even vluchtig als de pracht van een zonsondergang. … Taal, die niet voor dergelijke doeleinden is gemaakt, schiet jammerlijk tekort om zelfs maar een flauwe afspiegeling ervan weer te geven.” Wat echter wel gezegd kan worden, is dat het hoogtepunt van mijn ervaring me onuitsprekelijk gelukkig maakte. Het was zo’n intens geluk dat het bijna aanvoelde als fysiek genot of fysieke pijn. Het onderscheid tussen genot en pijn leek te zijn opgeheven. Hoe lang het moment duurde, zou ik niet kunnen zeggen; maar ik vermoed dat het niet meer dan een fractie van een seconde was. Toen het voorbij was, was ik wakker en volledig bij bewustzijn, en legde ik mijn ervaring vast met een gevoel van diepe dankbaarheid.

De bovenstaande ervaringen lieten me zien dat de invloed van Krishnamurti op mij krachtig genoeg was om zelfs tegen mijn intellectuele weerstand in te werken.

X

In de zomer van 1929 trof ik in een krant een bericht aan waarin uitvoerig werd beschreven hoe Krishnamurti plotseling de Orde van de Ster had ontbonden, bewust alle banden met de Theosofische Vereniging en hun leerstellingen over hemzelf had verbroken, en afstand had gedaan van alle aanspraken die in zijn naam waren gedaan. Hij had eindelijk de moed gevonden om alle banden door te snijden die zijn eigen spirituele overtuigingen jarenlang hadden belemmerd en die hem hadden gedwongen te handelen in de schaduw van wat leek op spirituele toe-eigening.

Deze breuk had plaatsgevonden op 3 augustus 1929 tijdens het jaarlijkse zomerkamp in Ommen. Krishnamurti besloot afstand te doen van alle autoriteit die duizenden mensen gebruikten als een gemakkelijke steun voor hun eigen spirituele onvermogen. De heer Theodore Besterman beschreef de beslissende bijeenkomst als volgt in zijn biografie van mevrouw Besant: “Op een ochtend stond de heer Krishnamurti op om zijn toespraak tot de verzamelde kampdeelnemers te houden. Het was direct duidelijk dat hij nu voor zichzelf sprak en niet slechts als spreekbuis; zijn woorden bevestigden die indruk op onmiskenbare wijze. … Hij kondigde de ontbinding van de Orde van de Ster aan en haalde in één klap het hele, ingewikkelde bouwwerk neer dat mevrouw Besant de afgelopen achttien jaar zo moeizaam en zorgvuldig had opgebouwd. ‘Ik blijf erbij’, zei Krishnamurti, ‘dat de Waarheid een land zonder paden is; men kan haar niet benaderen via welk pad dan ook, via welke religie of sekte dan ook. Dat is mijn standpunt en daar houd ik absoluut en onvoorwaardelijk aan vast. … Geloof is een puur persoonlijke zaak; men kan en mag dat niet organiseren.'” Hij verklaarde dat hij geen volgelingen wilde… hij maakte onmiskenbaar duidelijk dat zijn woorden gericht waren tegen degenen die in die achttien jaar het uitgebreide bouwwerk voor hem hadden opgetrokken. Krishnamurti voegde eraan toe: ‘Jullie hebben je voorbereid op deze gebeurtenis, op de komst van de Wereldleraar. Achttien jaar lang hebben jullie georganiseerd, hebben jullie gezocht naar iemand die jullie harten nieuwe vreugde zou schenken… die jullie zou bevrijden… Op welke manier heeft een dergelijk geloof alle niet-essentiële zaken in het leven weggevaagd? Op welke manier zijn jullie vrijer, grootser?’

De heer Krishnamurti vervolgde: ‘Jullie kunnen andere organisaties oprichten en op iemand anders wachten. Dat houdt mij niet bezig, evenmin als het creëren van nieuwe kooien… Het enige waar het mij om gaat, is de mens absoluut en onvoorwaardelijk te bevrijden.’ Hierna deed de heer Krishnamurti afstand van alle bezittingen die hem waren toebedeeld en verbrak hij geleidelijk de banden met alle organisaties.

Het was niet moeilijk te zien hoeveel moed er nodig was voor zo’n ingrijpend besluit. Om de omvang ervan te begrijpen, moet men bedenken wat Krishnamurti opgaf. Er bestond een organisatie met vele duizenden leden; er waren podia om te spreken in de vier belangrijkste uithoeken van de wereld; er was een onafhankelijke commerciële organisatie met tijdschriften, boeken en diverse publicaties in een dozijn talen; er waren helpers uit alle lagen van de bevolking, bereid tot vrijwel elk mentaal of materieel offer; kortom, er was een functionerend apparaat voor de verspreiding van een spirituele boodschap, zo krachtig als enige instelling ooit was geweest. Om te begrijpen wat het moet hebben betekend om dit alles op te geven, moet men zich een voorstelling maken van het geld, de zorgen, de energie en de tijd die nodig zijn voor het opzetten van een organisatie die niet-commerciële idealen verspreidt – of het nu gaat om religieuze, sociale, politieke, intellectuele of andere idealen. Het overboord gooien daarvan, alsof het niets betekende, vereiste persoonlijke moed, morele zuiverheid en spirituele overtuiging.

Ik was blij dat ik nooit had getwijfeld aan Krishnamurti’s oprechtheid of aan zijn intrinsieke spirituele waarde. De gebeurtenissen van augustus 1929 versterkten de indruk die ik had gekregen toen de jonge Indiër de donkere, betimmerde kamer in Westminster binnenkwam. Had ik niet plotseling ingezien dat het er nauwelijks toe deed hoe zijn leven tot dan toe was verlopen? En had ik niet aangevoeld dat zijn persoonlijkheid niets gemeen had met de opvallende krantenkoppen?


Lees hun boeiende gesprekken van zeven jaar later:

Sitemap Tao-zen