Maarssen, juli 2001, donderdagmiddag
In de wandelgangen, zoals dat heet, heb ik veel verhalen gehoord over oorzaak en gevolg.
Dat kennen we natuurlijk allemaal, zo in het heel concrete leven weet je heel goed dat, als je iets wilt oppakken dat te zwaar is, je je vertilt. Dat is duidelijk.
Zo zijn er nog een heleboel dingen die heel duidelijk zijn. Maar in het gebied van de geest is het niet zo duidelijk. En ik moet daarbij opnieuw denken aan waar ik het op de zendag over gehad heb, en ik zal het zo vertellen dat de mensen die er toen toevallig niet geweest zijn, ook weten wat ik toen verteld heb. Dat is nu 77 jaar geleden, ik was een jongetje van zes, en ik stond in de bananenaanplant in de plantage van mijn ouders, het heets van de dag, in de schaduw van de bananenbomen te kijken naar de apen, die juist het warme gedeelte zich tegoed wilden doen aan de cassaveknollen. En er was natuurlijk een bijna hilarisch schouwspel bij, en dat was als er een beetje rotte cassaveknollen waren, daar waren ze dol op. Want als ze die in handen kregen en ze aten daarvan, dan werden ze lekker dronken. En dan waren ze geweldig sterk, als ze dronken waren. Tenminste dat dachten ze. Maar voor mij, die toekeek, zag ik dat ze een beetje waggelden. En als ze dan met elkaar wilden vechten, dan kwam er heel weinig van terecht.
Maar dat was niet de hoofdzaak. Want er was een jong aapje bij, dat zat op de rug van zijn moeder, en dat had daar heel veel plezier, daagde ook de kameraadjes die al niet meer op de rug van de moeder zaten, maar al overgeleverd waren aan het spel van zorgen dat je blijft leven, die daagde hij uit tot de dag dat zijn moeder vond dat het nu genoeg geweest was, dat hij maar in het volle leven moest. En ze plukje hem van haar rug af en ze zette hem op de grond. En dat was een geweldig verschil wat er toen plaatshad. Het aapje wat nog op de rug van zijn moeder was, dat was een vrolijk beestje, die heel veel plezier had. Maar nu hij daar overgeleverd aan het je verdedigen was, veranderde er fundamenteel iets. Hij was zijn zekerheid kwijt. Hij wist instinctief dat nu kwam het erop aan dat hij zich verdedigen moest tegen zijn eigen kameraadjes. Zijn kameraadjes waren er al aan gewend, die waren ouder, die hadden dat ook ooit meegemaakt. Maar dat had ik niet gezien, dat zag ik voor mijn ogen gebeuren. En het is niet voor niks dat ik dat na zoveel tijd nog weet. Hoewel ik toen natuurlijk niet begreep wat ik zag. Ik zag alleen maar wat ik zag, maar ik besefte niet wat de achtergrond daarvan was.
Veel en veel later begon ik dat ook te beseffen. Je wordt geboren uit een baarmoeder – ik vertel nu dus iets van de mens – je wordt geboren uit een baarmoeder en je komt in het leven. Nog een heel klein poosje is de macht van het onzienlijke je deel. Maar hoe meer je leert, hoe meer je die verliest. En voor dat aapje was dat de tijd dat hij uit de baarmoeder van zijn moeder was gekomen, maar dat hij nog op die rug van die moeder in de macht stond. In de macht van het voor ons onbekende. En als het aapje een mens was geweest, dan had hij vast en zeker gezegd: op het moment dat de moeder me van die rug afnam en me niet meer toeliet terug te keren, toen kwam ik in de wereld. Dat was voor dat aapje, als hij een mens was geweest, een duidelijke plek: toen kwam ik in de wereld. Terwijl hij allang in de wereld was, maar alleen, hij was toen nog in de macht.
Wat zegt het? Het zegt het volgende. Dat wij gewend zijn uit het gewone leven waar oorzaak en gevolg heel duidelijk zijn, waar je daar geen moeite mee hebt, in de geest precies hetzelfde doen. En het moment dat wij zeggen: dat is de oorzaak, is het moment dat wij het aanmerken als de oorzaak. Maar het is niet het begin. Daar moet je maar eens over denken. Want ook in de psychologie proberen we steeds terug te vinden wanneer in ons leven iets gebeurd is, wat gemaakt heeft dat we niet meer volledig zijn, dat we een handicap hebben. En we vergeten gewoon dat misschien, voorafgaand aan het moment dat wij zeggen: dat was de oorzaak, er al een heleboel gebeurd was.
En je voelt wel, dat als je dat maar vast genoeg in jezelf zegt ‘dan is het gebeurd’ – op je vierde jaar, op je twaalfde jaar, op je twintigste jaar – dat je jezelf vastpint. Want misschien is er een heleboel aan vooraf gegaan, misschien zelfs al van voor je geboorte, waar je niks meer van weet.
Dat is helemaal geen mystiek en het is ook geen reïncarnatietheorie, waar ik het over heb. Ik zeg gewoon, je bent iets, een levensbeginsel wat door de tijd trekt. En elke keer als je een vorm aanneemt, krijg je gelegenheid om je bewust te worden van dat leven wat je leeft. Maar dan moet je wel gebruik maken van dat leven wat je leeft. En niet zeggen: toen begon het, toen begon voor mij de ellende. Dan ontneem je jezelf de kans om echt te ontdekken wat het is. En dat geldt ook voor ziektes en voor kwalen. Hoe kom je echt in contact met wat aan de gang is. Het is namelijk niet dat het nu opeens ergens is begonnen, het is altijd aan de gang. En waar je het over hebt, is een momentopname. Je kunt je het misschien makkelijker voorstellen als je zegt: het is een film. En nou zeggen wij, zoals wij leven, zeggen wij bij beeldje 4065 toen begon het. Maar dat is niet waar. Er zijn een heleboel filmbeeldjes aan vooraf gegaan. Waarom is het niet 3012? Daar moet je echt eens bij stilstaan, dat je door dat idee, dat je bij een begin moet beginnen, dat je daar misschien af moet. Dat er altijd een begin is en altijd een vervolg. Net zo goed als wij zeggen: toen werd ik geboren – en op het moment dat je sterft – dat doe je niet eens, want dan is er iets veel belangrijkers aan de hand, maar afijn, dat zou je kunnen zeggen ‘nou ga ik dood, nou houdt het op’, wat ook niet waar is, dat het er eigenlijk om gaat om geen oorzaken aan te wijzen, maar gewoon waar te nemen wat er is. En dat geldt vooral voor lichamelijke kwalen, dat je daar probeert te weten te komen – dat is het enige zinnige wat er kan gebeuren – dat je probeert alleen maar te weten te komen wat kan helpen om de kwaal, de pijn, een klein beetje te verzachten. Dat is al moeilijk genoeg. Dan hoef je niet eens naar een oorzaak te zoeken, je kunt uitvinden voor jezelf, en soms heb je daar de hulp van een specialist of een deskundige voor nodig, een dokter, maar ook die dokter is een gewoon mens. Dus wat hij je aanreikt moet je op een intelligente manier gebruiken. En alleen maar zoveel van zijn kunde gebruiken als voor jou van belang is. Want als je zijn hele zienswijze overneemt, ja, dan zit je in het bewustzijn van een ander. Je hebt maar je eigen bewustzijn.
Dat is voor ons natuurlijk heel moeilijk. We hebben, ik zou haast zeggen van de hele mensenwereld geleerd, dat er een oorzaak is en een gevolg. En nou zegt dat mannetje wat voor jullie zit, zegt: kijk verder, voel verder, ga na, ga na hoe je jezelf kunt helpen. En je zult heel vaak denken, na een poos daarmee bezig geweest te zijn, merken dat er grenzen zijn aan het vermogen om jezelf te helpen. En dan is het weer heel belangrijk dat je niet tegen jezelf zegt: er moet toch iets mogelijk zijn om beter te worden. Maar dat je je houdt aan je waarneming, en natuurlijk niet oorzaak en gevolg, dat stadium ben je voorbij. Je vertrouwt op jouw vermogen om te zien of het mogelijk is om het een beetje zachter te maken, om er een beetje minder last van te hebben.
Ik weet het van mezelf. In het kamp heb ik een kwaal opgelopen waarvan gezegd wordt ‘dat raak je nooit meer kwijt’. Alle doktoren. En het heeft me echt veel moeite gekost om tegen mezelf te zeggen: wat kan ik eraan doen om het leefbaar te maken. Ongeveer veertig jaar na dato heb ik gemerkt dat dat mogelijk is, om dat leefbaar te maken. Het blijft bestaan, maar ik heb er nog maar heel weinig last van. Het is dus echt ongeneeslijk, maar ik heb er geen last van. Bijna niet. Dat is dus een ervaring, geen theorie. Ik hoef er niet meer naartoe te leven. Het is zo. Dus het is ongeneeslijk. Ja dat is waar. Maar ik heb er geen last van. Dat is ook waar.
Ik geef dit alleen als een voorbeeld van dat het leefbaar maken van iets wat een kwaal is, van iets anders afhangt dan van het oplossen van de oorzaak. Stel je voor dat ik het wel geloofd had, dat het ongeneeslijk was. Ja, dan was het ongeneeslijk. En dan was ik een krakkemikkig oud ventje geworden. Ik geef dit niet als een voorbeeld van “hoe goed ben ik’, maar gewoon als een voorbeeld van hoe het kan. En dat ik dus op die gedachte ben gekomen, dat het misschien zo zacht te maken dat je er geen last meer van had, dat is gekomen doordat mensen in mijn omgeving telkens weer me daar opmerkzaam op gemaakt hebben. Dat is de hulp die we elkaar kunnen geven. Elkaar opmerkzaam maken op wat we zelf ervaren hebben. Dus niet wat we gedacht hebben en niet wat we gehoopt hebben, maar wat we ervaren hebben. En dat is een geweldig iets, als iemand je dat aanreikt. En in mijn leven hebben drie mensen het moeten aanreiken. Kun je nagaat wat een stijfkop ik was en hoe vast ik zat. En die drie mensen hadden allemaal de vriendelijkheid om tegen me te zeggen: kijk er eens naar. Ze hebben geen van drieën gezegd: dat is de oplossing. En misschien daardoor, omdat ze zo vriendelijk waren, heeft het gewerkt bij me. Waarmee ik alleen maar zeggen wil, als iemand je vriendelijk iets aanraadt, dan is het geen softie, maar dan is het iemand die uit eigen ervaring spreekt.
Want het gaat er eigenlijk om dat je ontdekt wat mogelijk is en wat niet mogelijk is. En dat je daarbij uitsluitend op je eigen ervaring afgaat. Een ervaring die rechtstreeks tot je komt. En die je openlaat, dat komt er wel bij. Je ervaart iets, dan moet je het nog openlaten. Dan moet je zeggen: dat heb ik nu ontdekt. Maar dan niet knip, dat is het. Dat is heel belangrijk. Want als je ‘knip, dat is het’ zegt, dan maak je het jezelf onmogelijk om misschien te ontdekken dat er misschien nog meer is.
En dat geldt voor alle dingen in het leven. Dat je steeds de zaak openhoudt, zodat het zich in jou ook verder kan ontwikkelen. Want kijk, de schepping gaat rustig door, wat wij als mensen ook doen. Het gaat rustig door. Misschien vernietigen we onszelf, dat weet ik niet, ik hoop het niet. Maar we moeten zorgen dat we zijn in datgene wat toch gebeurt. Datgene wat voortgaat te transformeren. Want je weet heel goed, wat is eigenlijk transformatie. Transformatie is een voortdurende verandering van alles met alles. En als een onderdeel ervan, ik moet het zo zeggen, het is eigenlijk veel mooier, maar als een onderdeel ervan op een bepaald moment zegt: zo is het, ja, dan is hij eruit. Dan is hij uit datgene wat altijd blijft veranderen. Dan heeft hij zichzelf vastgepind. Dus wat je ook voor conclusies hebt, op welk terrein dan ook, zeg dan steeds: en dan. Dan hou je jezelf los. Dan kan er nog wat gebeuren. Dat is heel belangrijk. Het is belangrijk dat je in de stroom blijft, en dat wil zeggen dat je in het moment blijft. En dat je niet een moment eruit knipt en zegt: oh, dat is het.
Ik praat er zo lang over omdat het zo bij ons ingeroest is. Daar kunnen we niks aan doen. Dat is de evolutie. Maar omdat het evolutie is, dat wil dat woord ook zeggen, een ontwikkeling, moeten we in ontwikkeling blijven. En we moeten niet zeggen, datgene wat achter ons ligt, dat is het, dus nou hoef ik niks meer te doen. En dat is natuurlijk makkelijk om dat te zeggen als het je goed gaat. Maar als je vervolgd wordt of je zit in het gevang, dan is het niet meer zo makkelijk om te zeggen: nou ja, zo is het. Dan ga je weer zoeken naar waarom het kwam. Begrijp je.
Begrijp je de tragiek eigenlijk. Het is bijna een gebedsmolentje, wat maar doordraait, wat maar doordraait. En dat heeft overal plaats, over de hele wereld, bij alle mensen. Dat is dus een geweldige uitdaging waar je voor staat, waar ieder van ons voorstaat. Dat vraagt heel veel intensiteit en liefde. Je begint aan het begin, met je lichaam, wat je niet even beter zult maken, maar wat je probeert de gelegenheid te geven beter te worden. Maar dat kan natuurlijk nooit via rigide regels, dat is iets, wat terwijl je ermee bezig bent, gebeurt. Als je een maaltijd klaarmaakt, alle handelingen die je daarin verricht, zijn allemaal belangrijk. Je kunt niet zeggen: dat is nou belangrijk, al het andere doet er niet toe. Ik geef juist een heel eenvoudig voorbeeld, daar weet je het van. Als je ooit gekookt hebt, dan weet je dat. Alles is belangrijk. Hoe je ernaar kijkt, wat je ervan vindt, hoe je het schoonmaakt, hoe je het bereidt, hoe je het kookt, hoe lang, hoe kort, hoe hoog het vuur. Alles, eindeloos veel onderdelen die van belang zijn. En geen is alleen zaligmakend. Maar zodra het geestelijke dingen zijn, dan opeens, dan zijn we dat vergeten. Dan zijn we vergeten dat voor het maken van een maaltijd iedere handeling belangrijk is. En zo is natuurlijk het hele leven. De maaltijd die we bereiden, wat maken we daarvan?
Nou dat lijkt me een mooi punt om er met elkaar over te praten.
Gesprek
…uit spanning ontstaat. En die spanning werkt natuurlijk op alle gebieden van je leven door. Dat is zo. En dat is ook wat stervenden vaak, als ze een beetje bewust kunnen sterven, en de familieleden ze niet allemaal terughouden, ze dus wijze familieleden hebben die zeggen: ga maar, dan ontdekken ze heel vaak dat ze voorbijgegaan zijn in hun leven aan zaken die toch van belang waren, waardoor ze dus ontspannen hadden kunnen zijn.
Francisco: Ja, ontspannen zijn, dat is ook alweer zo heel wat.
Maarten: om te merken dat je… Waar begint het mee. Het begint met merken dat je wel gespannen bent. Daar begint het mee. Dat je gaat opmerken dat je gespannen bent. En wat betekent gespannen zijn. Gespannen zijn betekent dat je datgene wat gebeurt niet toelaat. Je wilt het niet. Want dat is spanning. Je wilt het niet. Als je het toe kunt laten, dan span je je niet, want je vindt het niet slecht dat het gebeurt. Spanning is altijd dat je probeert om iets wat gebeurt te voorkomen, om er controle op te hebben, om het in de klauw te hebben. En juist dat verlangen om het in de klauw te hebben, om het te kunnen beheersen, maakt dat je er niet bij kunt. Dat het jou in bezit neemt. Zo is het altijd. En dat is bij je lichaam heel duidelijk. Als jij ergens bang voor bent, wat het ook mag zijn, dan is geen enkele beweging van je meer natuurlijk. Een natuurlijke beweging is iets wat van binnenuit uitvloeit en wat er verder mee gebeurt niet belangrijk vindt. Dat is ook alweer zoiets. Wij vinden altijd heel belangrijk, wat gebeurt er nou, als ik dat gedaan heb, wat gebeurt er dan. We willen dus van te voren weten wat er gebeurt als ik dit of dat doe. En dat kan niet! Dat-kan-niet. We moeten dus zeggen: ik doe dat, of ik doe dit, en ik zal wel zien wat er gebeurt, want-dat-weet-ik-niet.
Next.
Reinder: gisteren had je het over het beheersen van de omgeving, van agressie, tussen volken en ook het geweld in mezelf, dat ik er een soort afspiegeling van ben, wat me puzzelt is de behoefte aan beheersing en de behoefte aan veiligheid. Ik ben geconditioneerd, voor een groot deel, omdat ik het zie, omdat ik me veilig wil voelen, het onder controle wil houden. Dat is een bepaalde kracht in mij
Maarten: ja, dat is een instinctieve kracht. Zelfbehoud, territoorbescherming…
R; meditatie is erop gericht, als ik je goed begrijp, van kijk naar je conditionering waardoor het verhindert dat je contact maakt met de realiteit. Maar dan moet het gevoel van veiligheid ..
Maarten: staat dat in de weg. Ja, dat is zo.
R: Hoe kom ik daar uit.
Maarten: (lacht) Ja, ik heb het begrepen.
R: wat komt er voor die veiligheid in de plaats?
Maarten: dat weet je niet. Dat-weet-je-niet. (gelach) Protest van R. Maarten: dat weet je niet.
Maarten: ik kan je natuurlijk iets heel moois voorspiegelen, maar ik ben geen leugenaar: ik weet het niet. Ik zit niet in jou. Wat ik je eigenlijk vraag is, je constateert dat in jezelf, dat constateer je nu, je wilt toch veilig zijn, wat je ook gaat doen, je moet er zeker van zijn dat je goed terecht komt, dat je niet zodanig landt dat je daarbij dood gaat. Dat is de vraag. Nou, dat betekent dus, als ik het een beetje vertaal dat je gebonden aan de instinctieve krachten, dat zijn we allemaal, zonder uitzondering, je de vraag stelt: is er iets mogelijk dat dat overneemt, wat zo alles omvattend is, dat ik me niet meer hoef te verdedigen. Maar dat betekent dus dat je gewoon tegen jezelf zegt: die instinctieve krachten, die werken, dat is zo, dus daar kan het niet in liggen. Wat ik daar ook aan zit te knoeien, ze blijven wat ze zijn. Duizenden jaren oud, sinds het ontstaan van de mensheid. Of het ontstaan van de schepping. En het is nog altijd maar de vraag, waar de geleerden op het ogenblik mee aan het stoeien zijn, is die ooit ontstaan of is die er altijd geweest. En, zeggen wij, hij is ontstaan, want in deze vorm kennen we hem. Dat is precies hetzelfde als dat verhaal van daarvoor. Dus je zit tegen een heel diep ingeworteld principe in ieder levend wezen in. Daar zit je tegenaan. En daar kun je niet tegen vechten. Je kunt je alleen de vraag stellen: is er voor dat hele spel in gang kwam, is daar nog iets anders. Iets wat daaraan vooraf is. En nou zeg ik het eigenlijk fout, iets wat er altijd is. En op het moment dat je je die vraag stelt, kan er iets anders gaan beginnen. Want dan ben je niet bezig in dat gedeelte van je bewustzijn wat nou een keer uit is op zekerheid, op beheersing. Je kunt daar niet tegen vechten, dat is zo. Je kunt alleen je afvragen, kan ik dat over laten nemen door iets anders, wat niet onderhevig is aan die wetmatigheid van zelfbehoud, voortplanting, enzovoorts. Die vraag. Daar ben ik eigenlijk woensdagavond al mee begonnen. Wie ben ik, ben ik alleen maar dat instinctieve wat heel groot is, waar een heleboel al in gebeurd is. We hebben nu internet, we hebben nu satellieten en weet ik wat. Dus is er iets anders, wat mij geen zekerheid biedt, maar wat er altijd is. En natuurlijk is iets wat er altijd is ook een bepaalde zekerheid. Alleen, het is een andere zekerheid dan jij kent. Dus daarvoor openstaan, je daarvoor openen, is niet niks. Want dat betekent dat je bereid bent om de zekerheid die voor jou zekerheid is, om die op te geven. Om te zeggen: ik weet het nog niet, maar ik wil het proberen. Vooral omdat ook de wetenschap in haar taal eigenlijk dat zegt. We kunnen steeds fijner beschrijven wat er gebeurt. En omdat we dat kunnen, kunnen we ook redelijk voorspellingen maken. Dat is een feit. Maar de topwetenschapmensen zeggen, ja, maar we weten toch niet waarom het zo is als het is. En als mediterende sta je voor precies hetzelfde vraagstuk. Het is niet een probleem, het is een vraagstuk. Het is dus iets wat nog ontdekt kan worden, iets wat je nog kunt gaan ervaren. Zonder jezelf iets in te spreken, zonder tegen jezelf te zeggen: ja maar, dan moet er dat en dat uitkomen. Want dan ben je weer terug in het oude.
R. zeg je dan, tijdens het mediteren kan dat in je doorwerken?
M. ja. Ja, laat die vraag in je doorwerken. Die vraag van: ja, maar wat is er voordien. Dat je gebruik maakt van die vraag als een kracht. Want het is een kracht. Want op het moment dat jij die vraag stelt, ben je al gedeeltelijk niet in het domein van de instincten. En daar komt nog iets bij, dat wij hier, op dit moment, ons die vraag kunnen stellen, komt omdat we nooit, nooit, nooit helemaal alleen maar instincten zijn. Dat vergeten we wel eens. Dat we twijfelen kunnen, dat we ons vragen kunnen stellen komt omdat we niet helemaal instinctief zijn.
