Huissen, december 1997 | vrijdagmorgen
We hebben het gisteren gehad over de moeilijkheid om, terwijl je nog een keer in je programma leeft, om te ontdekken wat er is.
En het is misschien een van de moeilijkste punten bij het je bewust worden.
Want het betekent eigenlijk dat je leert – en het ís nauwelijks te leren – dat je leert om de onbewuste wijsheid, die in ieder van ons is opgeslagen, om die opnieuw een kans te geven.
We zijn gewoon door de ontwikkeling die heel oud is én door wat we van kinds af aan aan hebben meegemaakt. En dat is voor ieder net iets anders, er zijn natuurlijk, als je in Nederland bent opgegroeid, dan zijn er altijd herkenbare punten. Maar toch, ieder is op zijn manier vanuit het onbewuste, als kind – en het onbewuste is dus eigenlijk alles, dat is de hele schepping – is vanuit het onbewuste in een razend tempo. want wat in duizenden jaren zich heeft ontwikkeld, dat wordt door een kind, in de loop van nul tot zeven jaar, wordt dat eventjes ingehaald, opnieuw gedaan.
Dat kunnen wij ons onmogelijk indenken, net zo min als je je kunt indenken dat een planeet een paar miljoen lichtjaren verwijderd is. Je hebt alleen het gevoel dat het onmetelijk groot is.
Nou, de snelheid waarmee een kind dus dat tot zich neemt, is ongelooflijk. Toch vinden we dat heel gewoon.
En daarbij hobbelen we, zonder dat we dat weten, over een ander, heel raadselachtig punt, heen, een raadsel wat tot op de dag van vandaag niet is opgelost. Namelijk, hoe kan een kind in zo’n korte tijd een taal leren?
En er is een tijdlang aangenomen dat de taal, dat de taal ontstaan is doordat – je kent het verhaaltje wel – de taal is ontstaan, omdat het bleek, dat je elkaar niet altijd de hersens moest inslaan met een knots, dan gooide je die knots weg en gaf je elkaar een hand en dan bracht je een paar klanken voert en zo is de taal ontstaan.
Ik bedoel, dat is het verhaaltje wat tijdlang verteld is.
Maar dat blijkt dus ook onjuist te zijn. En met name de taalgeleerde Chomski, die heeft kunnen bewijzen dat de taal een gegeven is, net zoals het onbewuste gegeven is. Dat er dus in ieder pasgeboren kind een totaal is van voorstellingen. Ik noem dat allemaal oerbeelden.
En dat is, die oerbeelden die bevatten alles wat er in de schepping is. En bevatten dus ook wat de mensen gemaakt hebben. Dat is allemaal daar opgeslagen. Maar dat wordt maar héél gedeeltelijk geactiveerd en dat hangt af van wat je tegenkomt in je leven.
Dus als dat kind opgroeit, is het heel belangrijk hoe die ouders in elkaar zitten, wat de belangstelling van die ouders is. Dat is heel belangrijk. Want dan worden andere oerbeelden geactiveerd, dan wanneer het bij een stel ouders komt, die een grote belangstelling hebben, een ruime belangstelling hebben, die kunnen twijfelen. Ouders die kunnen twijfelen, ouders die dus weten dat ze het niet weten, dat is heel belangrijk.
Een kind wat bij zulke ouders opgroeit zal, en het klinkt nou gek, maar die zal voorzichtiger met zichzelf omgaan, dan als die bij opgroeit is bij ouders, die menen dat ze het wél weten.
Dus als je op een bepaalde dag – dat is natuurlijk een hele fantastische dag – maar als je op een bepaalde dag bij jezelf gaat twijfelen aan alles wat je geleerd hebt, dan sta je voor een gigantische opgaaf. En gelukkig ben je je daar niet van bewust, je bent je niet bewust dat als je op een dag gaat twijfelen, dat je dan jezelf eigenlijk een gigantische opgaaf voorlegt.
Want die twijfel, die zal steeds groter worden, als er niet omstanders zijn die je op de plek houden. Nou, we weten allemaal dat het zo is, dat de maatschappij – en dat is natuurlijk een hele vage term, dat zijn alle mensen die je tegenkomt, op je werk, buiten je werk, op de club en zo, dat alle mensen om je heen zitten in de precies dezelfde positie, die hebben ook aangeleerd. En de meeste mensen twijfelen niet, de meeste mensen, misschien met ongenoegen, met wrevel, maar de gang van zaken is de gang van zaken, ik zie wat ik zie, en wat ik niet zie, dat bestaat niet. Dat is heel in het kort.
Dus in het algemeen, als je gaat twijfelen, word je door je omgeving op de plek gehouden. Soms een beetje zachtzinnig, soms een beetje flink. Maar datgene wat je geleerd hebt, dat wordt voortdurend versterkt.
En er komt nog iets anders bij. Er komt bij dat elke keer dat je, volgens dat patroon wat je geleerd hebt, dat programma wat in je opgebouwd is – en dat heb je opgebouwd, onbewust, door wat je ouders je vertellen, daar heb je niet aan getwijfeld.
Ja, er zijn kinderen die op hun tweede jaar al beginnen te twijfelen, maar dat is een zeldzaamheid. De meeste kinderen twijfelen niet. Ze vinden de ouders meestal wel lastig, maar dat is een andere zaak.
Maar als je dus daaraan begint te twijfelen, dan moet je dus gaan leren om op jezelf te vertrouwen. En je moet vertrouwen op iets wat je niet kent.
Dat is een hele gekke situatie, maar daar komt het op neer.
En alle dingen die je geleerd hebt, die zou je eigenlijk tussen haakjes moeten zetten. Maar dat is niet niks…
De meeste mensen hebben, tegenover dat wat ze geleerd hebben, ook een sympathie of een antipathie opgebouwd. Dus dat is nog eens een laag erbij. Je bent nog goed met je ouders, of je bent slecht met je ouders. Dat dat wat je geleerd hebt, dat heb je graag geleerd, of je hebt het niet graag geleerd.
Dat speelt dus allemaal een rol, dat is dus het bestand van waaruit jij leeft.
En het enige wat niet bij dat bestand hoort, dat is die twijfel. En die twijfel is in ieder mens, als die er al is, is die in ieder mens niet even sterk.
Je moet al een hele sterk twijfel hebben, wil je daardoor laten richten, wil je daardoor je leven laten bepalen.
Je voelt wel, twijfel is niet zo’n leuke toestand. We willen eigenlijk toch allemaal zekerheid. We willen toch weten dat we goed zitten.
En als je twijfelt, dan zit je natuurlijk, ten opzichte van het gewone, zit je scheef. Dus dat is met de religie zo, dat is ook gewoon in het leven zo.
Nieuwe moeilijkheid: als je die twijfel hebt, dan wil je daar ook uiting aan geven. Als dat sterk genoeg is, dan wordt je dus een rebel. Als je een rebel wordt, dan verzet je je tegen de orde die er is. Nou, dat hebben we in het groot meegemaakt, in het klein meegemaakt. Dat verlies je.
Dus je moet nog iets leren. Je moet leren vanbinnen te leven. En verder netjes te zijn wat van je verwacht wordt.
Maar dat is wat… We hebben het gevoel van ja, dat is niet eerlijk, ik voel anders vanbinnen.
En toch is het zo, dat dat de enige manier is waarop dat wat binnenin je eigenlijk zich aan je wil openbaren, een kans krijgt.
Want in dat verzet tegen de algemene orde, daar moet je zoveel energie in stoppen, dat er niks overblijft om verder te groeien.
Dat betekent dus dat je het leven moet kunnen zien als een spel. Een spel met een aantal lagen van werkelijkheid.
En je zult merken, ik heb het in ieder geval in mijn leven heel erg goed gemerkt, dat je bepaalde dingen met bepaalde mensen kunt bespreken, je kunt je verstaanbaar maken. En het kan met andere mensen niet. En het is gewoon zo.
En het betekent niet dat die mensen, waar je je niet verstaanbaar bij kunt maken, dat ook maar een haarbreed minder zijn. Maar ze zijn niet op dat punt dat ze twijfelen, dat ze de algemene gang van zaken, dat ze daar niet helemaal in geloven. Dat ze dus óók niet geloven in het hebben van een belangrijke positie in die algemene wereld.
Je weet natuurlijk heel goed, dat je een bepaalde positie moet kunnen innemen om voldoende te verdienen, maar dat bedoel ik nu niet. Maar ik bedoel dus dat gevoel van: ik ben wat, ik ben wat binnen die algemene orde. De mensen kijken tegen mij op. De mensen vinden me belangrijk. Dat is een machtige factor in het leven.
Het is zó machtig, dat we er allemaal een beetje last van hebben. Ik bedoel, we willen geen van allen een nobody zijn. Wat is dat een nobody, ik ben toch iemand…
En merken dan niet dat we twee werelden, meerdere werelden, door elkaar halen.
De innerlijke wereld van de mens die op weg is, al duizenden jaren. En de mens die hier is, een bestaan opbouwt en gewaardeerd wordt naar de positie die die inneemt in die bestaande orde – dat zijn twee hele verschillende dingen, het zijn dingen die niets met elkaar te maken hebben, bijna niets hebben ze met elkaar te maken.
Dus je moet gaan leren dat je, ook in gesprekken, ook in alles wat je doet, dat er verschillende manieren zijn van benaderen.
En de taal die je gebruikt om je met een ander te verstaan, is weliswaar multi-interpretabel, heeft dus zeer vele betekenissen. Maar de hoeveelheid betekenissen die een bepaald woord heeft voor jou en voor een ander, daar weet je heel weinig van. Dat kun je alleen proefondervindelijk ontdekken.
En ik heb in mijn leven altijd geprobeerd om telkens nieuwe woorden te vinden en weer andere woorden en weer andere woorden, om zoveel mogelijk duidelijk te maken van hoe de situatie eigenlijk is. Maar wat een ander ervan op kan nemen, daar weet ik niets van, helemaal niets. Ik kan wel een gevoel hebben daarover, maar het is helemaal niet gezegd dat het gevoel klopt met de werkelijke communicatie die plaats heeft.
En we hebben het nu dus steeds gehad over de kant die nog vrij aardig (te begrijpen is), tenminste voor jullie niet ingewikkeld is, als je even terugdenkt aan Chomsky, met zijn oerbeelden die bestaan en waar wij dus maar een heel klein gedeelte van actualiseren, tegenkomen, de rest is niet ter beschikking. Alles wat je dus niet in je leven ontmoet hebt, heb je niet ter beschikking. Dat is ook een hele vreemde toestand.
En er komt nog bij, hoe ouder je wordt, hoe bedrevener je wordt om dat actuele reservoir te benutten, hoe meer je je afsluit van dat geweldig grote reservoir van het onbewuste. Dat gebeurt gewoon, dat is niet iets slechts, het gebeurt gewoon.
Dus hoe knapper je wordt om in de bestaande orde te leven, hoe meer je je afgesloten raakt van het grote onbewuste reservoir.
En dat gaat dus voor alle verschillende werkelijkheden van jezelf op. Dat gaat dus ook op voor je lichaam.
Je lichaam bekijk je met dat algemeen aanvaarde. En dan is, zoals het oosten het bekijkt, weer anders dan zoals het westen het bekijkt.
Maar wij hier in het westen kijken we eigenlijk meer vanuit het denken, vanuit het verwoordbare, naar ons lichaam. En daar zijn we ons niet van bewust.
Maar als je nu langzamerhand gaat opmerken dat, alles wat je wel kunt verwoorden ontoereikend is om dat wat er in jezelf gebeurt te beschrijven, dan word je dus voorzichtig.
En dan ga je dus voor jezelf opmerken, dat je alleen maar tastenderwijs je verstaanbaar kunt maken, niet alleen aan een ander, maar ook aan jézelf.
Het betekent in feite dat je een heropvoeding er hand neemt – dat is nou een heel groot woord, maar het is eigenlijk wel zo. Als ik het nou heel erg extreem zeg: je moet anders leren voelen, je moet anders leren denken. Je moet overal openlaten dat het misschien anders is.
En wat een ander zegt, proberen te vertalen naar wat hij bedoelt. Want wat hij zegt en wat hij bedoelt, dat zijn twee hele verschillende dingen, dat ontdek je ook.
Dus dat betekent eigenlijk, dat je op een andere manier moet leren luisteren. En simpel gezegd, betekent dat dat je niet te haastig moet denken, dat je niet weet wat de ander bedoelt.
Er zullen heleboel mensen tegenwoordig zeggen: ja maar zo kun je niet leven, dat gaat toch niet… Hoe moet dat dan?
Dat weet ik niet, ik weet alleen dat als je haastig denkt: o, dát bedoelt hij, dat je dan vaak valt. Dat is het enige wat ik heel zeker weet.
Dus dan hangt het er helemaal vanaf hoe je in elkaar zit. Of je op zeker wil spelen, of dat je bereid bent het onzekere voor lief te nemen. Omdat je gemerkt hebt dat het zekere, wat algemeen aanvaard is, onvoldoende is, dat het te klein is, dat het onvoldoende aspecten van jezelf een kans geeft.
En dat uit zich nu bijvoorbeeld, want dat heb ik nu gehoord van Greet, dat jullie dat gemerkt hebben bij dat onderwerp ‘zitten’, dat je daar woorden gebruikt, die op zovéél manieren vertaald kunnen worden, dat er de grootste kans is dat je het verkeerd begrijpt. Want je gaat uit van het algemeen aanvaarde.
Ik schijn heel vaak gezegd hebben van mensen die zitten: jullie zitten te maffen.
Nou bedoelde ik daar eigenlijk mee: je doet wat je altijd doet. En wat doe je altijd? Je hebt er een voorstelling, van in dit geval hoe zitten is. En daar probeer je aan te voldoen.
Maar zitten is heel wat anders, zitten is geleidelijk aan bij jezelf voelen wat niet bij het zitten hoort, wat dus hoort bij dat aangeleerde, van lang geleden, van toen je nog klein was tot nu toe.
En hoe kun je daaronder komen, zodat je voelt wat zitten ís. Dat is rechtop rusten.
Nou zeg ik ook alweer iets – dat kan bij jullie allemaal verkeerde dingen tevoorschijn roepen. Het betekent eigenlijk dat je, met de woorden die Greet en ik gebruiken, dat je die gewoon neemt als iets wat misschien de richting aangeeft. Maar je moet zelf ontdekken wat het is.
En nu is natuurlijk inde literatuur op dit punt eindeloos veel, van de meest strenge groeperingen tot de meer liberale, maar het blijft allemaal behelpen.
En nu is het al een heel ding, als degene die je vertellen: ja kijk, zitten, dat is dit en dat is niet dat, en dat is wel dit en dat is niet dat, dat die niet zo uitgesproken zijn dat jij geen kans krijgt om daar tussendoor te fietsen. Want dat moet je wel doen, je moet er tussendoor fietsen, je moet je eigen ervaring leren kennen.
Het is eigenlijk heel gek wat ik nu zeg, dat je je eigen ervaring moet leren kennen. Wij zeggen altijd: ja ik ervaar dat, maar daar zeggen we eigenlijk niks mee. Daar zeggen we mee: we ervaren dat wat we geleerd hebben dat we ervaren moeten.
Want dat is de echte toestand: we ervaren niet wat er is, maar we ervaren dat wat we denken dat er is. En dat komt door onze vooropleiding, die we allemaal gehad hebben, in het Oosten net zo. We hebben een andere vooropleiding, het is een vooropleiding, het is dus nog steeds niet dat wat je zelf ervaren hebt.
Vandaar ook, dat is ook heel oud, dat er heel vaak gezegd is: er is een periode in je oefentijd, dat je niks moet zeggen, niet aan een ander vertellen wat je ervaren hebt.
Ik heb daar vroeger heel raar tegenaan gekeken, maar dat is eigenlijk heel wijs. Want als je aan een ander gaat vertellen hoe jij het ervaart, dan ontneem je die ander de mogelijkheid om het zelf te ontdekken.
Ja, maar je moet toch iets zeggen, als leraar althans. Als je dus nog aan het leren bent, is dit een hele wijze regel.
Maar wat je ervaart is heel vaak zo iets bijzonders als je er toch over wil praten, dat je het aan een ander wil doorgeven. Zo zijn ook de religies ontstaan, zo is bijna alles in het wereld ontstaan, je wilt er uiting aan geven. Maar het is al anders als je weet hoe ingewikkeld het is, hoeveel onbekende factoren er zijn in datgene wat je denkt te ervaren.
Want toen Chomski die theorie, dat is nu alweer een tiental jaren geleden, proclameerde, toen stond de hele taalwetenschap op zijn kop. Maar hij kon dus aantonen dat een kind, als het die voorkennis niet had waar ik het over gehad heb, als het die oerbeelden niet had, dan zou het nooit zo snel een taal kunnen leren. Of het nou Chinees is of Hindu of Nederlands of Frans. Maar dan zou het dat niet kunnen.
Dus daar is iets in ons opgeslagen, we langzamerhand gebruik van maken. En dan nog, want dat heeft hij ook aan kunnen tonen, maar een heel klein gedeelte, een ongelooflijk klein gedeelte.
Ze hebben het onder andere kunnen merken dat iemand die nog nooit de zee gezien had, die dus in het binnenland was opgegroeid, die was wel even verbaasd, maar het fenomeen zee kende die, de oceaan kende die. Terwijl die nooit in zijn leven was tegenkomen. En nu kwam die het tegen en nu werd dat geactiveerd in hem.
Maar dat is een ongelooflijk groot raadsel eigenlijk. En we leven ermee alsof het ouwe jongens krentenbrood is, met elkaar. We zijn ons daar totaal niet van bewust.
En als iemand ons niet begrijpt, dan vinden we vervelend.
Maar als je dit dus allemaal begrijpt, dan begrijp je ook dat bij zoiets simpels als het zitten, dat je dan precies op dit raadsel stuit. En dat iemand uit de woorden, die je gebruikt, die Greet gebruikt, die ik gebruik, die ieder van ons gebruikt, die het over het zitten heeft, zich bewust moet zijn dat het misschien iets heel anders in die ander werkt, dan je graag zou willen.
Daarom zei ik er net: het beste van wat ik ervan zeggen kan, zitten is rechtop rusten. Rusten is niet iets doen, rust is ervaring. En in die ervaring blijven. En dan kun je best in dat rusten opmerken, dat een bepaalde manier het beter doet dan een andere manier. Maar je probeert niet meer iets te voelen wat je niet voelen kunt.
Want misschien is het woord wat Greet of wat ik gebruik, is nu net iets wat bij jou niet aansluit, niet aansluit bij wat je eigenlijk ervaart.
En als we wat van elkaar kunnen leren, dan is het dat we de bedoeling van de ander, dat die ons bereikt, dat de bedoeling van de ander ons bereikt.
En dan zijn we geneigd om, als we zo’n instelling hebben, om over al die hobbels heen, toch te voelen wat er eigenlijk bedoeld is.
Maar dat houdt wel in, dat de degene die iets over te brengen heeft, dat hij het niet absoluut stelt. Want als je het absoluut stelt, dan is het ontzettend moeilijk om daar onderdoor te begrijpen wat er bedoeld is.
Wat een leraar kan doen is alleen maar, dat heb ik vaak genoeg gezegd, is alleen maar iets aanreiken. En misschien heb je er wat aan. En het is natuurlijk heerlijk als je er wat aan hebt, want dan word je meer mens, dan word je ruimer, dan word je rijker. Dan kom je dus meer in je eigen onderbewust, dat hele grote reservoir wat er altijd is. En waar wij – omdat het waarschijnlijk zo groot is en omdat het zo machtig is – waar wij bang voor zijn.
Ik heb dat als kind niet gehad. Die mensen om me heen, die waren om me heen, die was dat onbewuste dat was zo’n werkelijkheid, dat was voor mij ook een werkelijkheid. Daar kwam er nog bij dat ik al die mythische verhalen kreeg te horen, dus dat was eigenlijk heel gewoon.
Maar voor ons hier, die dus rationeel zo veel verder zijn – want we zijn hier rationeel veel verder, dat is gewoon een feit, daarom hebben we ook machines, we hebben techniek die ze daar niet hebben. Nog niet, dat krijgen ze nu. En ik zeg hier niet bij: ‘arme mensen’, want het is onvermijdelijk, dat gebeurt.
Maar wij moeten dus met alles wat we nu bewust hebben gemaakt – en dat is een goede zaak dat we bewust hebben gemaakt – moeten we dat andere weer tot ons toe laten.
Maar dat betekent dat we alles wat we weten, alles wat we geleerd hebben, dat we dat op een vriendelijke manier tussen haakjes zetten. En dat we dat andere een kans geven.
En dan moeten we over hele grote barrière heen en dat is … angst, angst voor datgene wat we niet kennen – dat kennen we ook echt niet, het is er wel, maar we kennen het niet.
Een van de uitingen van het onbewust dat is de seks. En daarom is het zo ongelooflijk sterk, want dat is van dat grote reservoir, dat knalt door alles heen.
En wij hebben ons hier in het westen, eigenlijk uitsluitend bezig gehouden met de knal, de knal moet zus zijn, de knal moet zó zijn… Maar we staan niet stil bij wat daaronder is eigenlijk, waardoor die knal veroorzaakt wordt. En omdat we eigenlijk nooit echte aandacht hebben gegeven aan dat grote reservoir waar we in leven, zijn we er bang voor.
We zeggen dan: dat is ‘instinctief’. Dat heeft een nare bijklank.
Maar het is iets heel gewoons… Het is de macht die even een kans krijgt. Door het begeleidende lustgevoel, raken we even alles kwijt, krijgt het even een kans om zich te openbaren. Maar niet lang, want daarna komt het gewoon weer terug.
Dat is ook de reden waarom we die seksdaad eigenlijk willen herhalen, eindeloos herhalen. Maar daar gebeurt dan in feite niet veel in, we worden er niet door geopend. Wat wel kan, maar het gebeurt niet.
Dus je ziet aan alle kanten – tenminste dat hoop ik, dat jullie mij kunnen volgen – je ziet aan alle kanten dat je omgeven bent door een geweldig, machtig, groot iets. Vanwaaruit je leeft, anders was er geen leven, anders zou je niet ademen, zou je er überhaupt niet zijn. Dat je daarin leeft. En dat je met dat kleine arsenaal, wat je ter beschikking hebt, daarin moet gaan, zonder bang te zijn. Want het is de bodem vanwaaruit je bent voortgekomen, waar je toe terugkeert, als dit instrument, wat je je het lichaam noemt, als dat is opgebruikt. Dan hoop ik voor jullie allemaal niet dat je ziek wordt, maar gewoon dat het opgebruikt is.
Maar je kunt daar een heerboel aan doen, door te zien dat het niet iets vijandigs is, het onbewuste is niet iets vijandigs. Het is niet iets – zoals het vaak beschreven wordt – een hongerige moeder, die je opeet. Dat is het niet, dat hebben we er allemaal van gemaakt. Het is een hele grote kracht, waar je uit voortgekomen bent en waar je toe teruggaat.
En eigenlijk zou je in dit leven, vrijwillig, zou je je daaraan moeten geven.
Want dan bereik je je eigenlijke basis, waarvan die basis in je bekken een echo is. Het is een mogelijkheid om, als je daar geregeld, in vertrouwen, je in laat zakken, je in contact brengt met dat veel grotere in jezelf.
En dan word je ook vriendelijk voor jezelf, dan begrijp je dat je in opbouw bent, dat je nog groeiende bent – en ik denk dat je altijd groeiende blijft. Maar dat je groeit in samenspraak met je eigenlijke moeder – de moeder van de wereld, dat wat alles bevat, dat wat alles tot leven brengt.
En dat is waar het om gaat, óók bij dat simpele zitten. Dat zitten is één van de meest simpele manieren om bij je eigen diepte te komen. Die diepte is eindeloos diep,
daarom zijn we er ook weer bang voor. Maar als je jezelf nu weggeeft, dat je zegt: “oh ja, ik laat me gaan”. Dan kom je natuurlijk die ingebouwde angst tegen, ingebouwde angst van het zogenaamde bewuste.
Het bewuste is maar een héél klein stukje van het geheel. Want eigenlijk zijn het onbewuste en het bewuste één geheel.
Dat je je daarvan bewust bent, dat je dus in een klein stuk leeft. Maar dat je de mogelijkheid hebt om steeds meer thuis te raken in de oorsprong.
En als je dat zelf probeert, zul je beslist geduld hebben met iedere ander die je daar iets van vertelt. Want je weet dan wat er allemaal bij komt kijken.
En waar je eigenlijk op vertrouwt, is dat het in die ander is. En dat jij misschien behulpzaam kunt zijn – ik zeg ‘misschien’, hoor, misschien – misschien behulpzaam kunt zijn, dat die ander daar ook naar gaat verlangen. Gaat verlangen om deel te hebben aan wat hem toegedacht is, vanaf de aanvang af. En dat we eigenlijk – en dat is eigenlijk de mensheidsgeschiedenis – dat we ons eerst bewust moesten worden van zoals we nu zijn. En dan langzamerhand van daaruit weer ons bewust worden van wat we eigenlijk zijn.
Het is dus een heel groot proces.
En dan begrijp jullie ook dat al die verhalen over reïncarnaties, dus meerdere keren dat je op aarde komt. Dus dat is ook heel logisch dat kan niet in één keer. Het zou wel in één keer kunnen, het is dus als je echt bewust wordt hiervan. Als je bewust wordt dat dat voor je ligt, dan kan het. Dan heb je ook geen haast meer, want dan besef je: dat is zó iets groots waar je voor staat, dat kan niet in een achtermiddag. Dat kun je ook niet bedenken, daar kun je geen voorstelling van maken. Je kunt er alleen op ingaan, altijd maar weer, altijd maar weer.
En iedereen die je ontmoet, waarvan je het gevoel hebt van ja, die heeft daar toch wel iets van gemerkt… Daar kun je dus iets mee. je weet niet hoeveel en hoe ver enzovoorts.
Dat is een eindelijke samenleving, dat zijn de eigenlijke relaties. De relaties die wij hebben, die zijn allemaal van dat beperkte stukje. Daar zit natuurlijk, godzijdank, zit daar altijd het ander in. Maar dat is niet bewust. Meestal is het gewoon de aantrekking van van het geslacht en alles wat daar verder bij hoort. Maar dat is heel sterk, omdat het vanuit die grote macht is.
Maar dat is niet de echte relatie, de echte relatie heeft geen haast. De echte relatie is er, alleen het ontdekken gaat langzaam. En daarom hebben wij dus vaak gedacht, dat een echte relatie langzaam ontstaat. Nee, hij is er. Maar we worden er langzaam van bewust. Dus het is anders.
Nou, ik hoop dus dat ik jullie nu, de dag dat het vandaag kon, naar de aanleiding van dat zitten, dat ik jullie nu, zoveel als ik zelf ontdekt heb, in handen geef, ik geef jullie die sleutel.
En probeer er maar mee. En heb geen haast, ga met voorzichtige voeten.
Want dat programma wat in je langzaamaan ingebouwd is in het leven, dat is heel sterk. En je bent altijd weer geneigd om het uit te leggen naar het programma wat je meegekregen hebt. Je moet blijven twijfelen, voorzichtig zijn, zoals je ook voorzichtig bent met iemand van wie je veel houdt – Je moet dus eigenlijk veel van jezelf houden, dan ben je voorzichtig, dan eis je niet, dan probeer je, dan klopt het heel voorzichtig aan, te ontdekken.
Bovenaan: Twee broertjes op een betonfabriek in Krimpen a/d IJssel rond 1950.
