Maarssen, juli 2001, donderdagmorgen
Als je er rekening mee houdt dat wij allemaal geconditioneerd zijn en dat wij, als ik zeg de wereld zit zus en zo in elkaar, dan moet ik erbij zeggen: dat is voor mij zo. Want geen ander mens op de hele wereld heeft mijn bewustzijn, heeft mijn conditionering. Dat is echt blijkbaar nog altijd een hele moeilijke kwestie. De wereld die je ziet, voelt en hoort bestaat uitsluitend in jou. En in een ander bestaat een andere wereld. Wat de echte wereld is, afgezien van wat ik ervan vind, weten we niet. Misschien ontdek je het ooit eens als je buiten je eigen geconditioneerde bewustzijn bent. Maar dat is een academische vraag, daar hoef je je niet mee bezig te houden. Maar als je dat maar echt beseft, dat de wereld die je ziet, hoort en voelt bestaat alleen in jou. En nergens anders.
En dat brengt je vanzelf op die andere kwestie. En dat is waar we woensdagavond mee begonnen zijn, dat als je lang genoeg geleefd hebt – en dat hoeft niet zo lang te zijn – en je bent niet helemaal blind, dan zie je dat in de wereld, in de hele wereld, steeds dezelfde dingen spelen. Dat alle volksstammen, alle nationaliteiten, alle groeperingen uit zijn op hun eigen belang. En dat kun je in prachtige woorden verpakken, maar zo is het. Of je nou een katholiek bent of een hindu of een protestant of een taoist, je behoort ergens toe en je weet dat niet. Je denkt, oh ja, natuurlijk, zo zit de wereld in elkaar. En als een ander het anders ziet, dan zit hij fout. Dat is toch krankzinnig!
Ik ben nou veertig jaar bezig om diezelfde dingen aldoor te zeggen en het dringt blijkbaar niet door. Waarom is dat toch. Het is toch zo simpel. En ook de idee dat je lichaam een geduldig verlengstuk is van je geest, is ook zo iets heel vreemds. Je lichaam is je lichaam. Je lichaam heeft zijn eigen weg, zijn eigen verlangens, heeft zijn eigen mogelijkheden. En als je de moeite neemt – en waarom zou je die eigenlijk nooit nemen – om eens naar je lichaam te luisteren, dan zou er een heleboel veranderen in je. Dan zou je merken dat je lichaam, en daar doet het dag aan dag zijn best voor, om alle onzin die je uithaalt te corrigeren, om je te helpen gezond te blijven, evenwichtig, beschikkend over de energie die er altijd is. Maar dat betekent wel dat je die arrogantie eens een keer moet loslaten, van ik vind dat mijn lichaam dat moet doen. Ik vind dat mijn lichaam dat en dat moet aankunnen. Want zo is het niet. Dat lichaam heeft zijn grenzen. Dat lichaam heeft behoefte aan bepaalde dingen. En waarom zou je daar niet aan tegemoet komen. Waarom zou je zo arrogant zijn. Waarom zou je niet kunnen luisteren naar je lichaam. Het is het enige wat je hebt, je hele leven. Je enige vriend. Je zou eens moeten nagaan welk gedeelte van de dag, in de tijd gemeten, je aandacht aan je lichaam geeft, echte aandacht. Dat wil zeggen, vriendschappelijke aandacht. Vriendelijke aandacht. Vragende aandacht. Je hebt daar toch geen tijd voor, want je hebt altijd een probleem. En vaak zit dat probleem ook in dat lichaam. Ik zag het vanochtend nog met het lopen. Wie loopt er natuurlijk. Wie streeft niet iets na, terwijl hij loopt. Let er eens bij jezelf op. Laat je je lichaam gewoon doen. Of heb je een idee: ik moet het zó doen. Overal komt die arrogantie om de hoek kijken.
Echt, mensen, het is niet zo ingewikkeld. Je hoeft alleen maar aandacht te geven. Om je eigen krankzinnigheid te ontdekken heb je alleen maar aandacht nodig. Om te ontdekken hoe je vastzit in allerlei concepten hoef je alleen maar aandacht voor jezelf te hebben. En waarom is dat toch zo moeilijk? Nou, heel eenvoudig, we zitten veel te vol. We zitten zo vol met dingen die we nog bereiken willen, terwijl we niet eens beseffen wat we bereiken willen. Wat we willen bereiken is altijd in het verlengde van het geconditioneerde bewustzijn wat je zo langzamerhand opgebouwd hebt van je geboorte tot nu toe. En daar ben je je absoluut niet bewust van. En met die houding ga je mediteren. Ik weet niet of jullie nu begrijpen wat een idiote toestand dat is. Als je met die inzet gaat mediteren, dan moet je toch natuurlijk tegen de tralies aanvliegen. Dat is toch duidelijk. Want je gebruikt dat stuk van je bewustzijn wat dat niet kan. Het is vanaf je jeugd in een vorm gegoten. En dat is niet zo boosaardig, want degene die dag gedaan hebben die menen dat je jou daarmee geweldig helpen. Ze voeden je op. Dat kun je ze dus niet kwalijk nemen. En de mensen die je een geloof aandoen, die kun je het ook niet kwalijk nemen. Want geloof is macht. En niets is heerlijker dan dat je macht hebt. Dus het is allemaal zo logisch. En kun je dat hele, ik neem nou maar een paar dingen, maar daar zit de hele wereld vol mee. Milosowitch moet nu terecht staan. Ha, zeggen we. Waarom ha, er gebeurt niks, er verandert niks. In het echt verandert er niks. Het heeft met ons te maken, het heeft met mij te maken. Het heeft met de situatie hier te maken waar we zijn.
De vraag blijft steeds: kunnen we, en willen we dat, zien we dat het nodig is. Dat gaat er aldoor aan vooraf. Ik doe soms net zo alsof jullie inzien dat het nodig is. Als je namelijk niet inziet dat het nodig is, in verband met alles, dan zul je altijd moeilijkheden hebben. Dan zul je je altijd afvragen hoelang moet ik dit, hoelang moet ik dat, moet ik dat wel, moet ik dat niet, terwijl je het allemaal best zelf kunt weten.
Toen ik in het kamp was, toen vroeg ik me op een bepaald moment af, ja, de natuur, de paar bomen die er nog instonden, de bergen verderop, over de heining heen, hadden die nou contact met het kamp met die negenduizend man, die uitgehongerd werden. En het voordeel van het kamp was dat ik me daar ook echt mee bezig kon houden. Buiten dat ik in de dodenbarak moest werken had ik veel vrije tijd. En toen heb ik gemerkt, omdat het me echt interesseerde, dat ik de vraag gesteld had vanuit een positie die gewoon dom was. Want ik verwachtte dat de natuur een antwoord zou geven, wat overeenkwam met mijn geconditioneerde brein. Toen ik dat een keer doorhad merkte ik dat de natuur natuurlijk antwoordde. De vogels in de bomen, die er altijd langsgekomen waren, er bleven zitten misschien, om iets te vinden, die merkten van dat kamp dat het onrustig was en die vlogen weer weg. Dat hadden ze eerst niet gedaan. En de bomen zelf, toen ik dat een keer van me afgezet had dat het er zo en zo zou uitzien, dat antwoord, die leefden wel degelijk mee. En de berg, veel verder weg, ik heb het in mijn boekje beschreven, die hielp me toen ik ook dysenterie had gekregen en eigenlijk voor me zag dat ik wel dood zou gaan. Die ontspande me. Zo is het gewoon.
Maar dan moet je dus wel beginnen met op te geven dat wat buiten je is op dezelfde manier op je reageert als jij reageert op dat buiten je. Dat is toch niet ingewikkeld, mensen, wat ik nu vertel? Of wel. Daar kunnen we strakjes op ingaan.
En zo komen we toch terug bij het hele gewone leven. En dat blijkt heel moeilijk te zijn. Want we zitten natuurlijk voor ons werk en voor ons levensonderhoud zitten we in een wereld met mensen die net als wij eindeloos geconditioneerd zijn. En die die conditionering koste wat kost vol willen houden. Zodat we onszelf opzadelen met de meest krankzinnige werksituaties waar we nauwelijks tijd hebben om iets te beseffen. We moeten steeds sneller, dat is gewoon waar. Maar je bent niet acht uur in dienst, dat wil zeggen vierentwintig uur in dienst. Naast de acht uur die je door moet brengen in een omgeving die van alles van je eist, heb je nog zestien uur voor jezelf. Wat normaal gebeurt is dat je in die zestien uur op dezelfde manier doorgaat als in die acht uur. En je vindt jezelf erg zielig, maar je hebt het echt aan jezelf te danken. Want je hebt die zestien uur buiten je werk. Ja, maar dan heb je je vrouw en je kinderen. Oké, die zijn ook niet uit de blauwe lucht komen vallen. Dus dat is reden. Maar je hebt echt –wel- ook- nog- tijd- alleen- maar- voor-jezelf.
En waarom is dat zo moeilijk? Waarom maken we toch al die afscheidingen, van dit is van jou, dit is van mij. Dat zit gewoon samen met alle andere vooronderstellingen die eigenlijk op niets gebaseerd zijn. Want als je jezelf nagaat, dan merk je dat je toch eigenlijk niet uit die conditionering weg wilt. Dat is gek, hé, maar het is zo. Want die conditionering is bekend. En dan andere, zeg je tegen jezelf, dat er misschien is, ja, wat moet ik daarmee aan, wat kan ik ervan begrijpen. Nou, het kost meestal jaren om te begrijpen dat je het niet kunt begrijpen. Dat is onze positie. Dat is een heel ding, de dag dat je begrijpt dat je het niet kunt begrijpen. Dat is een fantastische dag. De dag dat je begrijpt dat je alleen in het moment waarin je leeft iets kunt begrijpen. Dat je iets kunt begrijpen in het moment waarin je leeft. Niet daarvoor, niet daarachter. En ons bewustzijn werkt altijd met voor en achter tegelijkertijd. Daarom hebben we ook altijd zo’n haast en zijn we zenuwachtig. Maar dat je uitsluitend het moment hebt waarin je bent. En in dat moment waarin je bent blijkt iets. En in het volgende moment blijkt er iets anders. En in het volgende moment weer iets anders. Nou, dat is voor ons bewustzijn iets onbegrijpelijks. Wij denken altijd dat we continu zijn. We worden natuurlijk ouder, nou ja, oké. Maar we zijn eigenlijk continu. Totdat we dood gaan, dan is opeens is het anders. Maar dat is natuurlijk niet zo. We veranderen voortdurend. Cellen vernieuwen zich, van alles gebeurt er. En als we goed op onszelf letten merken we dat ook onze kijk op de wereld verandert. Maar we zijn zo traag en we willen zo graag alles vasthouden wat we ooit bedacht hebben, dat we dat ook niet opmerken.
En mensen, zoals het in ons is, zo is het in alle mensen. Dus eigenlijk kun je daar rekening mee houden dat het met alle mensen zo is, en toch zelf veranderen. Zie je, nu is de vraag al heel anders. Denk maar even aan de zusters. Kun je jezelf toestaan om te veranderen, want dat is het hoogste wat bereikbaar is. Jezelf toestaan, want je kunt het niet doen, want je zit in dat bewustzijn.
Ik weet niet of jullie beseffen wat dat betekent, als ik dat zo zeg. Dat je jezelf toestaat om te veranderen en dat je je tevens bewust bent wat een geweldige stap dat is. Eén: zoals ik de wereld zie, voel, hoor, is alleen in mij. Punt één. Punt twee: hoe kan ik dat vastzitten, die korst, laten smelten. Het is duidelijk dat het niet vanuit de korst kan. Dus het is iets anders wat dat moet bewerkstelligen. En dat kan niet gebeuren zolang jij vasthoudt aan de korst. Jullie zullen misschien denken: hij zegt aldoor maar hetzelfde. Maar ik moet dat wel doen.
Dus hoe kun je de intelligentie hebben om te zeggen: ik kan het niet, ik moet het laten gebeuren. Wat kan ik doen om het te laten gebeuren? Nou, door heel goed op te letten op hoe ik leef. En geen oordeel, want dat oordeel is weer van het oude. Gewoon dus kijken hoe je loopt, hoe je eet, hoe het voedsel voor je is, of je er contact mee hebt of dat dat uit een boekje is, of je jezelf toestaat om ergens van te genieten zonder erbij te denken, gewoon maar genieten. Sta je je dat zelf toe? Sta je jezelf toe om wanneer je iets hoort, op te merken dat dat inderdaad veel intelligenter is dan wat jij tot nu toe gedacht hebt. Sta je je dat zelf toe. Of begin je onmiddellijk te zeggen: nee, maar dat kan niet waar zijn, want … enzovoorts. Sta je jezelf toe om naar je lichaam te luisteren, om te voelen dat dat iets heel moois is, iets heel intelligents. Dat dat met je meeleeft, dat lichaam, als je er aandacht aan geeft. Dat je aan je adem kunt merken hoe jij van binnen bent. Of je opgewonden bent, in verzet, of dat je dat wat er gebeurt tot je toelaat, er nog geen gedachte over hebt, nog geen oordeel over hebt. Dat je het gewoon toelaat. Dat is heel erg moeilijk, mensen. Want reacties, eindeloos zijn ze in je aanwezig. En die gaan allemaal ervan uit dat je het al weet. En kijk, als je het al weet, kun je niks ontdekken. Dat is toch duidelijk, hé. Je kunt alleen maar iets ontdekken als je het nog niet weet. De wetenschap zou nooit zover gekomen zijn als ze van te voren al wisten wat ze zouden ontdekken. Ja natuurlijk, zeg je. Maar dat doe je zelf niet.
En als je dus echt op jezelf ingaat, heel vriendelijk, want je bent echt niet slecht, je bent alleen nog een beetje onwetend. Je hebt aldoor gedacht dat je het al wist. Maar als je op jezelf ingaat op die manier, dan openen zich hele andere mogelijkheden. En omdat je ervan uitgaat dat je het nog niet weet, en eigenlijk nooit nog al weet, verandert je hele wijze van doen. Je gaat beseffen dat het heel belangrijk is hoe je met de dingen om je heen omgaat. Het huis waarin je woont, de kamer die je gebruikt, het bed waarop je slaapt, het eten wat je eet. Want jij oefent daar invloed op uit en je oefent zeker invloed uit op de dingen die niet geboren worden. Wat is het verschil tussen de dingen die gemaakt zijn en die geboren worden. Heel simpel, alles wat leeft, wat dus geboren is, heeft de mogelijkheid om zich voort te zetten. Dat hebben gemaakte dingen niet. Die moeten wij opnieuw maken. Maar uit zichzelf hebben ze dat niet. Dat komt omdat ze gebruikt zijn en veel verder af zijn van de bron waaruit ze ooit ontstaan zijn. Mineraal, ijzererts, staal. Als wij ze voor dingen gebruikt hebben, plastic, hout, om dingen van te maken dan zijn ze al omgesmolten, dan zijn ze al omgezet, heel ver af van hun bron. Dus ze zijn heel erg afhankelijk van wat wij ermee doen, hoe wij er voor voelen, of we er zorg voor hebben of dat we denken, nou ja, morgen koop ik iets nieuws, weg…
Dat is echt waar, wat ik nu zeg is heel erg belangrijk. Alles wat je ter beschikking krijg, daar heb je rentmeesterschap over, daar heb je een verantwoording voor. Dat is iets in de schepping. Het is niet zomaar.
En die aandacht, die is nodig om jezelf tussen haakjes te zetten. Dat is heel erg nodig dat je jezelf tussen haakjes zet. Dat je niet altijd maar reacties opspuit. En niet jezelf tussen haakjes zet omdat er gezegd is dat het zo goed is om nederig te zijn. Want dat is kwatsch. Het gaat in tegen alle principes in jezelf. En die principes moeten nou juist begrepen worden doordat je er eens buiten gaat staan. En hoe ga je er buiten staan? Door er eens rustig naar te kijken. En alles wat er tegelijk in je is wat in beweging komt van het is wel goed of het is niet goed, om te zeggen even, even, even, nu niet. Ik wil graag ontdekken wat het eigenlijk is. Dat moet je vaak tegen jezelf zeggen, hoor. Dat is meditatie. En je zult merken, als je dat doet, er een hele last van je af valt. Een hele last van gelijkhebberigheid en van arrogantie valt van je af. Je gaat de ander, wie het ook is, ga je echt belangrijk vinden. Want je kunt van die ander wat leren. We hebben allemaal iets wat voor de ander van belang is. Maar ja, als we het niet tot ons kunnen laten komen, dan gebeurt er niks. Begrijpen jullie nou hoe vast het zit. En hoe graag we eigenlijk terug zijn in dat geconditioneerde, omdat dat tenminste vertrouwd is. En dat geconditioneerde blijft ook in stand doordat we zo vreselijk graag aldoor maar ervaringen hebben. Want kijk, als we aldoor maar ervaringen binnenkrijgen, dan hoeven we niks te doen, dat gaat vanzelf. Dus we houden, als we niet ophouden, houden we dat aldoor maar in stand. En intussen denken we dat we mediteren.
Dat betekent eigenlijk dat je voor jezelf jezelf ter discussie stelt. Want als je ooit af wilt raken van de afhankelijkheid van een ander, van een leraar, van een wetenschapper, van ik weet niet wat voor specialist. Als je daar ooit niet meer afhankelijk van wilt zijn, wanneer je zelf wilt ontdekken, dan zul je jezelf ter discussie moeten stellen. Je weet het nog steeds niet. Je kunt het misschien wel ontdekken. Maar dat betekent dat je die hele machinerie, die klaarligt om je daarvan te weerhouden, dat je die gaat beseffen. Want je kunt die niet stilzetten. Daarvoor heb je iets veel groters nodig. En van veel grotere kan niet bij je komen, omdat je aldoor datzelfde wat er al is voortzet en voortzet en voortzet. Ouders voeden kun kinderen op op een bepaalde manier, zodat die kinderen een replica van wat zij ooit gedacht, gedaan hebben. Of ze verzetten zich ertegen, wat precies hetzelfde is. Jij moet eruit, niet je ouders, niet je kinderen, JIJ. Ik hoop dat jullie inzien dat het altijd weer op dat ene punt uitkomt, dat jij moet veranderen. Dat je je niet langer afleidt, dat je niet langer zegt: ja, maar als de wereld nu maar, of als hij, of als zij. Want dat is een uitvlucht.
Bestaat er dan geen onrecht in de wereld? Natuurlijk bestaat er onrecht in de wereld. Maar hoe kan dat onrecht ooit ophouden. Daar gaat het om. Niet om dat onrecht daar te herstellen of het onrecht voor die of die in orde te maken. Dat is er ook, maar dat is tweede punt, tweede fase. Het gaat aldoor om hoe kan het onrecht in mij tot een einde komen. Want het is duidelijk, als ik mijn belangen nastreef, dan moet ik leed veroorzaken, agressie en van alles en nog wat. Dus het gaat er aldoor om: wat doe ik met mijn leven.
Weet je, mensen, als je je die vraag echt stelt, niet maar voor deze vijf dagen, maar strakjes als je thuis bent en als je onderweg bent, en als je naar de mensen kijkt en als je een vraag stelt, als je dat echt probeert dan word je vanzelf stil, want dat vraagt heel veel van je. Om aandachtig te zijn vraagt ontzettend veel van je. Daar ben je nog helemaal niet aan gewend. En als je bij jezelf opmerkt wat een gedresseerde aap je bent, dan heb je helemaal geen behoefte meer om de andere gedresseerde apen te verbeteren. Het is zo duidelijk dat als je er echt op ingaat, dan wijst het vanzelf hoe het verder kan gaan. Dan blijf je niet steken bij meester-leerling verhouding, want dat is ook weer iets denkbeeldigs. Het is er wel, dat weet ik wel, maar eigenlijk is het verleden tijd. Als je aandachtig bent verdwijnen de schijnproblemen. Als je voelt hoe je adem je voortdurende vertelt: hola, je bent buiten je grenzen, kom terug, dan wordt het leven oneindig veel eenvoudiger. En dan stoot je op de energie die altijd ter beschikking is, maar waar je geen gebruik van maakt omdat je zo in jezelf opgesloten bent.
