Je uiteenzetten met jezelf

Maarssen, juli 2001, zondagmiddag.

ZIE OOK DE VIDEO-OPNAME ONDERAAN

Donderdag is een zuster gestorven. En ze is op haar eigen verzoek niet opgebaard in de kapittelzaal. Ze heeft vroeger bij me gezeten en ik heb van een aantal zusters gehoord wat zij voor indruk hadden van dat sterven. En er was er een die zei: ja, ze is toch negenennegentig geworden, terwijl ze vergevorderd stadium van Parkinson had. En een ander zei: ze is gelukkig heel mooi gegaan, want ze had het heel moeilijk en voor de andere zusters is dan een hele in beslagnemende verpleging ook nu verdwenen. En de derde zei: ze is heel mooi heengegaan. Op het laatst waren de sporen van de ziekte verdwenen en ze had de blijheid van een kind.

Dat brengt me tevens op het onderwerp wat ik graag wilde aansnijden. En dat is dat wij, dat is voor ons allen duidelijk, dat wij betrokken moeten zijn eigenlijk op wat er in de wereld gebeurt. Maar dat betrokken zijn moet niet leiden tot angst. En dat betekent dat we ons dus uiteen moeten zetten met onszelf. Want we zijn van de wereld en de wereld is van ons. En die uiteenzetting is een eenzame uiteenzetting. Dat is niet een uiteenzetting in groepsverband. Dat is iets wat je alleen maar zelf kunt doen. Dat hoeft niet in afzondering te zijn, maar afzondering helpt daarbij. En, we zouden graag kwetsbaar blijven, kwetsbaar en betrokken. En dat betekent dat je de aanwezige instincten in jezelf, zelfbehoud, voortplanting, territoorbescherming, dat je die helemaal in het vizier krijgt. Dat je die helemaal ziet. Dat je jezelf niet beschuldigt. Dat je ziet dat het onvermijdelijk is dat je je daarmee uiteenzet. Dat anders een schijnkalmte en een schijnbetrokkenheid niet aan de orde zijn. De uiterlijke tekenen van die uiteenzetting, die kun je aanwijzen. Maar dat zijn uiterlijke tekenen. Het gaat erom wat er innerlijk bij je gebeurt. Of je inderdaad de grenzen van je denken en van je voelen aftast, of je ziet, doorziet, hoe ver ze reiken. Dat je hun grenzen ziet. En dat je over die grenzen niet heen kunt. Dat er een vraag overblijft.

Maar die vraag kan zo groot worden dat hij alle vorige vragen omvat. En dan, als die vraag inderdaad bezit van je neemt, kijk je anders aan tegen alles in het leven. En je beseft dan ook dat er dus geen einde is aan die vraag. Dat denken we vaak, dat er dus een punt is dat het gebeurd is, dat je niet meer bang bent, dat je niet meer bezorgd bent. Maar dat is niet zo. Die vraag wordt steeds groter. En die vraag neemt je me. Die vraag neemt je mee naar waar het eigenlijk om gaat. En in dat meenemen gaan alle vragen die je voordien gehad hebt en alle problemen, gaan een andere betekenis krijgen. Dat is heel nuchter gezegd waar het om gaat. Maar dat heeft heel veel aspecten. En je zult al die aspecten voor jou moeten verkennen. Dan ben je dus niet meer uit op je eigen zielenheil, op iets wat prettig voor je zou zijn, iets wat je vrede zou kunnen geven, maar wat jouw verantwoordelijkheid is in het hele bestel, voor zover jij het kunt zien. En dat zal voor ieder net iets anders zijn, naar zijn aard, zijn mogelijkheden, zijn karakter. En toch is de diepste kern hetzelfde, voor iedereen. Al geef je er andere namen aan, en al geef je er een andere vertaling aan, het blijft in de kern hetzelfde. En je vindt dat ook terug in alle tradities die bestaan, maar die gewoon door de ontwikkeling die we doormaken als mensheid vergeten raken.

We houden ons steeds meer bezig, en dat is gewoon heel logisch, met dat stuk van ons leven tussen geboorte en dood, en daarin raakt de eigenlijke mens, die behoort tot alle werelden, raakt verloren. En dat is een ontwikkeling. Dat moet je gewoon constateren. En iedereen heeft ermee te maken. De zusters hier overleggen nu, omdat het bijna onmogelijk is om te doen wat ze doen willen, hoe ze verder moeten, of ze nog wel toekomen waarvoor ze hier gekomen zijn, namelijk het gaan van de innerlijke weg. En of ze niet, want dat is op het ogenblik aan de hand, overstroomd worden door wat ze gewoon moeten doen van minuut tot minuut. En dat is echt van minuut tot minuut. Ik heb het echt zoveel meegemaakt, ik ben hier vaak, ook om rustig te werken aan mijn boeken. En dan maak ik dat mee, hoe ze eigenlijk geen tijd hebben voor hun eigenlijke roeping. En de vraag is dan dus of ze niet meer leken van buiten aan moeten trekken om een gedeelte van het werk te doen, zodat er tijd vrij komt om te doen waarvoor ze hier gekomen zijn.

Dat is op een andere manier weer hetzelfde. Waar wij als leek voorstaan. Dat geeft echt aan dat we in bijzondere situatie zijn gekomen, in de hele wereld. En dat is dat de technische vooruitgang ons allang voorbij is. En dat we op die technische vooruitgang een antwoord hebben vanuit de basisinstincten. E. gaf het al aan, je moet je onderscheiden, je moet beter zijn, enzovoorts. En dus die onderliggende vraag, die er altijd is, zo oud als de mensheid, die kan dan niet beantwoord worden.

Dat vraagt van ons dus een heel heldere uiteenzetting met onszelf. En die heldere uiteenzetting is geen oplossing voor de wereld. Maar het is jouw positiebepaling in een veel groter geheel dan die maatschappij waar je in leeft. En dat is een langdurig proces, waarbij het inzicht en de vraag zo sterk moet zijn dat je je niet afvraagt waar het toe leidt. Want waar het toe leidt is de vrucht van de uiteenzetting, en dat weet je niet. Je weet niet wat al die factoren die spelen, waar die uiteindelijk toe zullen leiden. We kunnen nu al met onze computers de complexiteit van de maatschappij nauwelijks aan. Dus als je dan al die andere factoren erbij betrekt, waar we mee te maken hebben, dan is dat onmogelijk. Dat betekent dat we op ons eigen instrument moeten vertrouwen, zijn beperkingen zien, zijn mogelijkheden zien. En dat is, en dat is altijd zo geweest, dat is een proces tussen jou en de eeuwigheid, en daar zit niks tussen, geen bemiddelaar, geen raadgever, niemand. Het enige wat mogelijk is, wat wij mensen voor elkaar kunnen doen, is elkaar helpen die vraag te stellen, zonder beloftes, zonder een goed einde, zodat we de kracht van het onbekende in ons hebben.

En dat is heel wat. Dat betekent dat je al je menselijke betrekkingen onderzoekt, vriendelijk, liefdevol, zonder belang, eigenbelang, zonder verbittering. Zodat  je in het kleine bestek van je eigen leven een grote worsteling ziet van de mensheid. En dat je daarin voortgaat te ontdekken. En dat je dan in alle tradities, in alle stromingen een kern terugvindt die te maken heeft met jouw eigen weg, met jouw eigen poging, met jouw eigen uiteenzetting. En dat je ziet dat er heel veel aangeslibd is in dat proces, vroeger, nu, morgen en overmorgen. Dat je dat aanslibsel ziet voor wat het is. Niet om er boos over te zijn, maar om te zien dat het het niet is.

En dan wordt je leven toch anders, al heb je geen antwoord. En dan kun je tegen niemand zeggen: ik zal je wel helpen. Want dat kun je niet. Je kunt alleen je liefde voor het grote proces, dat kun je aanduiden. Meer kan niet. En dat is, hoe weinig het is, toch belangrijk.


naar boven

<< Terug | Einde
Geheel bovenaan: Begraafplaats van de Emmaus Priorij  Foto Ingrid Bakker.