Huissen, december 1997 | zaterdag
Er zijn gisteren twee vragen blijven liggen. De vraag van Guus en de vraag van Nel Koter. En daar wil ik toch een beetje dieper op ingaan, omdat het blijkbaar niet begrepen is.
Waarom is er leed in de wereld? Want dat was de eigenlijke vraag. Zolang je aan de buitenkant tegenaan kijkt, dan is leed iets onbegrijpelijks. Van het moment af dat je er van binnenuit tegenaan kijkt – maar dan kijk je er niet tegenaan, dan ben je ermee verbonden – dan is het niet onrechtvaardig, maar dan is het een kans.
Ik was een jongetje van een jaar of drie, toen mijn lievelingsboom achter het huis op de plantage werd gekapt.
Mijn vader en de oude tuinman hadden me duidelijk gemaakt dat dat moest gebeuren. Dus dat was onvermijdelijk, dat moest gebeuren. Maar toen die gekapt werd, had ik er ontzettend verdriet van.
Want toen ik s’avonds in mijn bedje lag, kwam de oude vertelster, die elke avond verhalen kon vertellen. En die wist waarom ik verdriet had. En die zei toen: weet je Sinjo, verdriet om een ander, laat een licht schijnen wat de demonen verjaagt.
Dat is alles wat ze erover zei. En dat geeft het aan.
Leed, sterven, dat is onvermijdelijk. Maar wat je ermee doet, dat is waartoe het gaat. Wat doe je ermee? Wat doe je dus met je verdriet? Vergroot je het lijden door verdriet te hebben? Of kun je daar doorheen voelen wat ook mogelijk is?
En dat sluit het verhaal van Prins Gautama, die later de Boeddha werd genoemd, dat sluit daar naadloos op aan. Daarom heeft het waarschijnlijk ook zo’n grote indruk op me gemaakt.
Prins Gautama had alles wat een mens kan bezitten. Alles. Maar toen hij een keer buiten was en een bedelaar zag sterven van de honger, was hij voorgoed uit alle geneugten weggetrokken.
En hij is dan weggegaan om te ontdekken wat het leed is, waar het vandaan komt. En hij heeft ontdekt – en dat was iets heel bijzonders, want hij leefde in een maatschappij, de hindoe-wereld van die tijd, die trouwens nog de hindoe-wereld van vandaag is, waar het kastensysteem oppermachtig was.
De Brahmanen zijn de priesters, de krijgslieden, de Ksatria, de handelslieden, de kooplieden, en tenslotte de paria’s, de onaanraakbaren – onaanraakbaar niet alleen, maar eigenlijk iets wat je moet vermijden, als de schaduw van een onaanraakbare valt op het eten van iemand van een hogere kaste, dan moet hij dat eten weggooien.
Dat is de wereld waarin de Boeddha geboren werd. En na heel lange omzwervingen ontdekte hij dus dat het leed ontstaat, doordat we menen dat we datgene wat we ‘ik’ noemen, moeten verdedigen. Dat we dus niet diep genoeg in onszelf zijn gegaan, om te ontdekken dat wat wij het ‘ik’ noemen, een voorbijgaand verschijnsel is.
En dat niet alleen, maar dat het een kans is om te ontdekken wie we eigenlijk zijn. En het leed helpt ons daar op die reis naar binnen toe.
Maar dat betekent dus dat je die reis naar binnen wilt gaan. Dat je dus niet van horen zeggen dat aanneemt, je moet dus zelf naar binnen gaan. Dat kun je niet op het gezag van een ander, je moet dat zelf doen.
En omdat we dat eigenlijk niet doen, ontstaan een heleboel fantasieën. En daarvan kwam Nel Koter dus over te spreken, toen ze zei van al die mensen die zich dan zogenaamd hun vorige levens herinneren en altijd de mooiste en de geweldigste mensen zijn, dat alleen al geeft al aan dat het natuurlijk onzin is.
En het is godzijdank zo, dat als wij aan het eind van ons leven komen, dat al onze ervaringen en al onze gedachten, dat die voorgoed verdwijnen. Dus dat is het niet. Die wederbelichaming is wat anders.
En dat is ooit, in de Vedas, wel heel duidelijk beschreven, maar ook in het oosten is dat verloren gegaan.
En dat geeft opnieuw aan, dat alle dingen die je hoort, moet je zelf onderzoeken. Want het eigenlijke wat daarmee bedoeld is, met die wederbelichaming, is dat je op een bepaald moment in je leven gaat merken dat je een bepaalde belangstelling hebt. En die bepaalde belangstelling, die voert je naar binnen toe.
En dan is het prettig als je daar van iemand oefeningen voor krijgt om dat te bespoedigen. Maar het gaat erom dat je naar binnen gaat, dat dat het allerbelangrijkste in het leven voor je is, om naar binnen te gaan.
Want dan merk je dus dat het leed een hulpmiddel is. En die belangstelling, dat is een richting. En wat eigenlijk bedoeld is, dat is dat die richting, als het lichaam gestorven is in dit leven, dat die richting doorgaat.
En dat ie opnieuw een kans krijgt om zijn richting, zijn belangstelling te volgen. En zo gaat dat gewoon door.
Dus al die avonturen, die zijn ontzettend onbelangrijk.
Het belangrijke is, is dat je een richting in je leven ontdekt, zelf ontdekt. En dat je die trouw blijft, die richting, waar die je ook toe brengt.
En ik denk dat dat kleine jongetje van drie jaar, dat die een richting koos, zodat hij toen hij in het krijgsgevangenkamp kwam, die richting juist goed kon vervolgen.
Voor mij is dat kamp een ongelooflijke ervaring geweest. Ik kreeg de kans een heleboel te ontdekken. Ik kreeg de kans om te ontdekken, toen een Japanse soldaat me bijna doodsloeg, om te ontdekken dat ik dus niet met een mens te maken had, maar met een opgeleide machine in een systeem.
Het had dus eigenlijk niets met die soldaat te maken. En daarom kon ik ook niet haten. Want je kunt natuurlijk iets, iets wat buiten zichzelf is, kun je niet haten.
Dat is toch onmogelijk.
En zo heeft dat kamp mij héél veel geleerd.
Maar dat gaat dus terug op, dat je naar binnen gaat. Dat je de zintuiglijke wereld verlaat en dat je naar binnen gaat. En dat je van daaruit terug gaat naar de wereld, de zintuiglijke wereld.
Dan ga je merken, dat de zintuiglijke wereld zich richt naar de innerlijke wereld. Daarom zeg ik ook altijd tegen de mensen: als je innerlijk je probleem oplost, dan zul je zien dat de situatie zich richt, om je heen, naar wat je verder nodig hebt voor die tocht naar binnen toe.
En dan begrijpt Neske misschien beter waarom ik gezegd heb: elke scheiding tussen het leven hier en wat we denken dat het leven later zal zijn, nadat we gestorven zijn, dat kan niet werkelijk zijn. Je kunt alleen maar die innerlijke richting volgen.
Maar onze moeilijkheid is dat we telkens uit het lood geslagen worden in ons leven. Dat we toch plotseling niet meer zijn dan die voorlopige mens. Die voorlopige mens die aan zijn zintuigen vastzit, die alles eigenlijk vertaalt naar wat zijn zintuigen hem vertellen, en die de innerlijke betekenis niet tegenkomt.
En als je dus daaraan vastzit, dan ben je afhankelijk van wat er verteld wordt. Dan is het niet jouw eigendom, dan is het niet jouw eigen ontdekking.
En daar gaat het aldoor om, je moet het zelf ontdekken. Het moet voor jou een werkelijkheid zijn. Het moet voor jou niet moeilijk zijn om naar binnen te gaan.
Als je naar binnen gaat, dan hoef je je niet jezelf ertoe te zetten om stil te zijn. Dat gaat vanzelf. Het enige wat nodig is, is dat je naar binnen gaat. En dat je geduldig bent. Dat je al de verschillende verrichtingen van je lichaam, waar het liefdeleven bijhoort, dat je die inpast in je innerlijke leven.
Dan ga je ook begrijpen dat alle technieken die we hebben, of het nou in het oosten of in het westen is, dat die ook allemaal voorlopig zijn. En dat die een heleboel verwarring stichten in je leven. En dat je alleen geleidelijk aan kunt opmerken, wat jou helpt om naar binnen te gaan. Om jouw eigen verhaal te vernemen –eerstehands, niet door een ander. Eerstehands.
Ook in de oosterse geschiedenis is het mystieke en het zogenaamde profane leven, gescheiden. Dat is heel jammer. Want het is natuurlijk één. Het gaat er alleen om vanwaaruit je het beleeft. Als je het beleeft vanuit de buitenkant, dan stuit je op eindeloos veel problemen.
Als je het beleeft vanuit de binnenkant, dan merk je dat het enige waar het op aankomt, dat is dat alle verwarring die ontstaat, doordat je je vereenzelvigt met de buitenkant, dat je die leert ontdoen. Dat je die leert te laten voor wat het is.
Het is dus helemaal niet slecht. Dat is ook weer één van die dingen die gebeurd zijn, zowel in het oosten als in het westen, dat we die buitenkant als minderwaardig hebben gezien. Het is helemaal niet minderwaardig. Het is hoogst bijzonder, die buitenkant. Maar dat wordt die pas als je hem van binnenuit beleeft. Als je dus niet blijft staan bij die bijna spastische bewegingen van de buitenkant.
Dat is wat ik hierover te zeggen heb eigenlijk. En als je die reis naar binnen toe maakt, dan ben je van niemand meer afhankelijk. Van niemand.
Je kunt hoogstens, en dat overkomt je dan, merken dat er dus heel veel stemmen zijn die hetzelfde zeggen, op een iets andere manier. En dan zijn de grote religies, die zijn in wezen niet zoveel anders.
En het is natuurlijk dwaas om de ene religie met de andere te gaan vergelijken.
Het is heel dwaas. Als je naar binnen gaat, ontdek je dat ze in wezen allemaal gelijk zijn. Alleen de accenten, die zijn verschillend.
Dus de vraag is alleen maar: wil je naar binnen gaan? Wil je onafhankelijk worden? Wil je je eigen leermeester zijn? Wil je jezelf ontdekken? Dat is de vraag.
En als je die vraag stelt, dan merk je dat het allemaal heel anders is.
Ik heb vanuit het kamp een ongeneeslijke kwaal overgehouden. En die kwaal heeft mij erg geholpen. Die heeft mij geholpen om een ononderbroken aandacht te hebben. Dat heb ik ervan geleerd.
Dus het is niet iets wat ik weg zou wensen. Het is iets wat mij geholpen heeft.
Dat is het wonderbaarlijke. Als je naar binnen gaat, merk je dat eigenlijk alles je helpen kan. Omdat wat pijn doet, wat al door maar pijn doet, je alert houdt.
Ja, je kunt natuurlijk daar boos over zijn, of verdrietig over zijn. Of denken dat je afhankelijk bent van een bepaald medicijn. Nou, dat hoefde ik al niet, want het was ongeneeslijk.
Dus, wat algemeen aangenomen wordt als iets kwaads, iets wat hindert, dat wordt een hulp.
En ik denk, zoals ik het in mijn leven heb waargenomen, dat wij niet vrijwillig die weg gaan. Ja, de Boeddha ging vrijwillig die weg. Die had alles en die verdiepte zich in het leed.
Maar dat is niet normaal, dat is heel uitzonderlijk. Maar wij worden meestal wakker door hele afschuwelijke dingen – àls we wakker worden, we kunnen ons daar ook tegen gaan verzetten. We kunnen ook proberen het kwijt te raken.
Maar het is een kans om te ontdekken, te ontdekken dat je dus naar binnen moet. Dat je de binnenkant van alles wat je beleeft, moet gaan zien.
En je zult merken, ook al is dat maar een heel flauw verlangen, om naar binnen te gaan, al het is maar heel flauw. Dan ontmoet je mensen die je daarvan vertellen.
En dan wordt het steeds duidelijker. En dan op de duur heb je dus niet meer mensen nodig die je vertellen van dat naar binnen gaan. Dan ga je vanzelf naar binnen toe.
En het gevolg daarvan is, en dat is ook zo, dat weet ik, dat je voor de mensen om je heen een vreemde wordt. Iemand die er niet bij hoort.
Dat komt omdat je nog ongeoefend bent.
Je bent ongeoefend in dat anders zijn. Maar als je lang genoeg die weg gaat, dan leer je dus belang te stellen in die beperkte wereld, waar de meeste mensen in leven. Dan kun je daar echt belang in stellen.
En dan heb je ook geduld. Dan heb je geduld met waar je mee bezig bent, als je alleen maar buiten bent, als je alleen maar in het voorlopige bent. Maar dat moet je echt leren.
In het begin word je daar een beetje ongeduldig over. Want je denkt: het is toch heel anders… En dat hoort er dus ook bij.
Het hoort erbij, dat je leert dat je, met iedereen op het vlak waar die zich bevindt – dat is een onbewust vlak eigenlijk – om daarmee verenigd te zijn. Maar je hoopt natuurlijk heel erg, tot in je diepste wezen toe, hoop je dat die mens ook naar binnen zal gaan. Zonder zijn voorlopigheid, zijn voorlopige verschijning, te minachten.
Dat is wat ook heel vaak gebeurt. Dat wat je zo gewoon bent, dat je dat als minder gaat beschouwen. Dat is heel jammer, want het is niet minder.
Dat is h´éél nodig. Die voorlopige mens die heb je heel erg nodig. Want die gaf je juiste gelegenheid om te gaan onderscheiden.
En dan krijgt het leed ook zijn plek.
En daar zijn natuurlijk, hierover zijn ook een heleboel afschuwelijke wrede dingen gezegd, gezegd van: ja kijk als je dat doet, dan is dat het gevolg.
Dat is echt hubris. Want zo is het niet.
Niemand weet, niemand op de hele wereld weet, wat er zal gebeuren. Het enige waar het op aankomt, is dat je altijd bereid bent om de ander te verstaan.
Dat maakt weleens dat anderen dan flink op je inpraten. Of boos op je zijn. Dat hoort er ook bij.
Dan kun je dus een heel leven leiden, een leven wat volledig is. Wat zowel hetgene bevat wat nog niet gemanifesteerd is. En dat het gemanifesteerde bevat. Het gemanifesteerde dat is ons voorlopige leven.
Maar dat je dus nooit los bent van de oorzaak en het gevolg. De oorzaak is het ongemanifesteerde, het gevolg is het gemanifesteerde.
En dat je de ademhaling leert kennen De ademhaling van dat in- en uitgaan, in- en uitgaan. Geboren worden en sterven.
Want dat is wat de schepping in stand houdt, die oneindige beweging. En dat je daarvan een uiting bent.
Daar heb je niets voor gedaan, helemaal niets. Dat heb je gekregen.Je bent een uiting.
Het enige wat van je gevraagd wordt, is een uiting te blijven. Dus niet een zelfstandig voorlopig leven te gaan leiden.
En het is ook maar schijn, want je bent niet zelfstandig. Je behoort altijd tot dat grote geheel. Je beeldt je in dat je zelfstandig bent.
En dat is een wildernis waar je dan in terecht komt. Die geen wezenlijke zin heeft. Waar je van moment tot moment, dan ben je gelukkig, dan ben je ongelukkig. Dan ben je rijk, dan ben je arm. Dan heb je heel veel kennis, dan heb je heel weinig kennis.
Dan lijkt alles verdeeld. Dan is er ook onrecht.
Maar als je naar binnen gaat, rustig, geduldig, dan wordt het duidelijk.
En het mooie is, dat je dan niet meer afhankelijk bent. Van niemand. Je bent afhankelijk van het geheel. Dat geweldige proces, waar de hele wereld in gevangen is. Of wat de hele wereld omvat, het is niet gevangen. Want er is een hele grote vrijheid in. De vrijheid van het antwoord.
Wat je ook overkomt, de vrijheid is het antwoord.
Ieder mens heeft een lot. Maar wat zijn antwoord is op dat lot, dat is niet bepaald. Daar zijn we vrij.
Het is natuurlijk wel zo, dat wij, als we alleen maar in dat voorlopige leven staan en alleen maar het gevoel hebben dat het dat is. Met een geboorte aan het begin en een dood aan het einde. Dat we dan natuurlijk… Dan hebben we het moeilijk. Want er komen er allemaal vragen.
En dan zijn we weer afhankelijk. Dan zijn we afhankelijk van degenen die die vragen voor ons beantwoorden. Terwijl het natuurlijk eigenlijk niet kan, een ander kan niet een antwoord voor jou zijn. Dat is onmogelijk.
Een ander kan alleen… – maar dat moet dan iemand zijn die zich dus bewust is hiervan – kan alleen een kleine aanwijzing geven. Kan zeggen: kijk eens daarnaar. En dat kan helpen. Maar meer kan die niet doen.
Je moet het zelf ontdekken.
En hoe dieper je erop ingaat, hoe meer je merkt dat er dus een hele lijn zit, in dat leven van duizenden jaren.
En dat je dus, wij noemen dat herinnering, dat je dus in de tijd kunt teruggaan. En dat openbaart heel veel voor je.
Maar niet in de zin, zoals Nel dus terecht opmerkte, niet in de zin van vorige levens. In die zin niet. Het is een aaneengeregen buitenkant. En daar heb je niks aan, daar ontdek je geen lijn in.
Het gaat erom dat er een lijn komt in je leven. En dat je die lijn vervolgt. Het is een richting. Dat is het enige wat ik ervan zeggen kan. Het is een richting. Het is een soort van belangstelling.
Die belangstelling die kan in intensiteit toenemen. En dan krijg je leven, krijgt dus een hele diepe betekenis. En dat zie je natuurlijk ook van alle mensen om je heen, dat het een betekenis heeft.
Het enige wat je dan nog kunt doen, is proberen om dat duidelijk te maken. Dat het nodig is dat je daar binnen gaat.
Dat je ook niet meer afhankelijk bent van de techniek. Dat je alleen maar afhankelijk bent van dat in contact zijn. Omdat dat eigenlijk vanzelf je zaken in je regelt.
Bovenaan: Vincent van Gogh, Trap in Auvers’, 1890, Saint Louis Art Museum
‘Want het is werkelijk prachtig, het is het hart van het platteland, karakteristiek en schilderachtig.’ Zo beschreef Vincent van Gogh Auvers-sur-Oise (FR) in een van zijn laatste brieven aan zijn broer Theo.
