Huissen, december 1997 | zondagmorgen
Het gesprek van gistermiddag, waar ik jullie nog allemaal heel erg dankbaar voor ben, en de mededeling die ik een poos geleden kreeg dat ieder mens een levensimpuls is van miljoenen jaren, waarvan hij zich niet meer bewust is. Die twee dingen kwamen bij elkaar vanochtend toen ik om kwart over vijf de trap afliep, en me plotseling bewust werd dat wat wij de lichaamsbasis noemen, heel kostbaar is. Dat dat eigenlijk nog een echo is van een veel diepere basis, die wij bereiken als we ophouden bezig te zijn.
Want je bent dus eigenlijk het verhaal van miljoenen jaren. En het eerste wat nodig is, is dat je contact krijgt met het echo-punt in je bekken, zodat je een beetje losraakt van het zenuwachtige, pulkende, wat onze tijd kenmerkt. Maar, en dat was mij al een poos lang wel duidelijk, maar ik had er geen vat op, je moet nog verder terug.
Want je eigenlijke huis is die oerimpuls, die inderdaad onheuglijk oud is. en die eindeloze keren zich ontwikkelt en steeds verder ontwikkelt. En wij zijn dus nu op dit moment het eind van die ontwikkeling. Maar, zoals we gewoon leven – en dat komt door onze opvoeding, door onze ouders, door de leerinstituten, door de literatuur die we om ons heen hebben, wat andere mensen tegen ons zeggen – zijn we ons uitsluitend bewust van dat hele, hele, hele, hele, hele, hele kleine stukje van ons huidige leven.
En zolang we daarin zitten en er voor ons niets anders bestaat, zijn we eigenlijk heel hulpeloos. En zijn we afhankelijk van allerlei autoriteiten, allerlei specialisten.
En, nou ja, af en toe gebeurt er iets goeds en af en toe gebeurt er iets verkeerds.
Maar je hebt dus uiteindelijk de wijsheid van miljoenen jaren tot je beschikking.
Het is al een heel ding als je dat weet, dat het zo is. En dan ga je ook langzamerhand in je leven herkennen, wat je allemaal doet wat niet nodig is.
Er zijn een paar mensen op het ogenblik bij ons, die het een beetje moeilijk hebben. En die hebben een heleboel lieve raadgevers om zich heen, maar die werken de verkeerde kant uit.
Die mensen moeten eigenlijk met rust gelaten worden, zodat ze, dat wat hun dwars zit, kunnen laten oplossen door een veel diepere werkelijkheid in zichzelf. En zodra die werkelijkheid daarmee klaar is, dan komt het wel tevoorschijn. Maar dan is het gaaf.Dan is het niet meer verward. Dan is het niet meer problematisch. Dan is het duidelijk dat er dat en dat gebeurd is. En dat je nu daar en daar staat. En dat je dat doen moet.
Het komt een beetje overeen met de boeddhistische opvatting, dat een mens pas een probleem wat hij heeft, kan oplossen als het in hemzelf gerijpt is.
Maar in die rijpingstijd moet hij er met zijn poten af blijven. Moet hij er niet aan pulken. Moet hij zich niet vragen.
En moet er ook door een ander niet aan gepulkt worden. Moet hij laten.
En dat onderstreept nogmaals, dat we moeten beseffen dat we in het bezit zijn van iets heel kostbaars. Iets wat in miljoenen jaren gegroeid is.
Hoe, dat komt zullen we nooit weten. En het mooie is dat je kúnt je daarvan bewust worden.
Maar dan moet je natuurlijk alles wat je denkt te weten – want wij denken veel te weten, maar we weten eigenlijk heel weinig, bijna niets – dan moet je wat je denkt te weten, dat moet je naast je neerleggen. Je moet weer van meet af aan, van nul af, jezelf leren kennen.
Dat vraagt heel veel aandacht. Dat vraagt heel veel liefde ook, voor die mens die je bent, dat wonder dat je bent. Want je bent een wonder. En je hebt alle mogelijkheden in je.
En als je jezelf terugvindt, als je dus door de echo van je voorlopige basis heen, reikt naar die diepere werkelijkheid waarin je gegroeid bent. Je zou kunnen zeggen, wat zich in miljoenen jaren voltrekt.
Dat is een analoog iets als wanneer een nieuwe mens in de baarmoeder groeit. Wij hebben ons bezig gehouden, in de wetenschap, met alles wat er zo aan het foetus gebeurt. En daar weten we ook aardig wat van af.
Maar waarom dat foetus zo en zo groeit. En waarom toch die ene mens weer verschillend is van die andere mens. Zelfs bij een eeneiige tweeling is dat nog zo.
Daar weten we nog steeds niets van.
En dat komt omdat we ons nog niet bezig gehouden hebben met wat we dan het onzienlijke noemen. Dus de geestelijke matrijs van het grofstoffelijke lichaam, daar hebben we ons natuurlijk niet mee bezig gehouden – konden we ons ook niet mee bezig houden, we hebben daar niet de apparatuur voor. Misschien komt hier nog wel eens.
Maar je hebt zonder apparatuur en zonder adviseurs en zonder wat ook maar, heb je de kans, en ieder van ons heeft die kans, zonder uitzondering, om in jezelf af te dalen.
En nadat je dus de echo bereikt hebt, wat al een heel groot rustpunt is, wat je al een heleboel meer zekerheid geeft, dan kun je nog verder gaan.
En kun je merken dat je plotseling in het bezit komt van een heleboel kennis, die er vroeger niet was. Kennis in de zin van, dit moet ik wel doen en dat moet ik niet doen.
Zodat je veel minder afhankelijk wordt van wat er om je heen gezegd wordt. Van wat je ooit geleerd hebt. Dat je dus je eigen geschiedenis leert kennen.
En dat is dus niet een geschiedenis in plaatjes. Dat is een misverstand, dat is gewoon kinderachtig. Dat is niet een geschiedenis in plaatjes.
Maar je leert een heel fijn gevoel krijgen voor wat werkt voor jou naar een verdere ontplooiing. En wat dat tegenhoudt, wat die ontplooiing tegenhoudt. En je weet niet eens in welke richting die ontplooiing gaat. Maar je weet wel wat het tegenhoudt en wat het een kans geeft.
En dat betekent dat je dus geen enkel plan meer kunt maken, dat is onmogelijk. Dat is natuurlijk erg vervelend voor ons, want we willen zo vreselijk graag plannetjes maken. We willen zo vreselijk graag organiseren. Dat kan niet. Je zult van moment tot moment, zul je contact moeten houden met die hele wijze mens in jezelf. Die al zoveel ervaren heeft. En die weet wat de voortgang een kans geeft. En zeker weet wat het tegenhoudt.
En natuurlijk, op dat moment stuit je op de gewoontemens die je ook bent. De mens van deze tijd met zijn hele bagage. En je zult telkens op verschillende punten merken, dat die dingen met elkaar in tegenspraak zijn.
Wees dan wijs en volg die diepe impulsen. Dat geeft een heel ander gevoel in je leven. Dan worden geboorte en dood, die raken elkaar dan.
Dan begrijp je ook dat je niet moet denken: ik moet het in dit leven klaarkrijgen. Dat is dwaas. Je kunt alleen weten in welke richting je moet gaan, wat je moet doen. En wanneer dat zich voltrekken zal, wanneer dat geëffectueerd wordt, dat weet je niet. Maar dat is ook helemaal niet erg. Je komt van een heel klein bestek, kom je opeens in een hele grote ruimte. En je vindt je plaats daarin.
En het enige waar het op aankomt is dat die impuls, die inderdaad miljoenen jaren oud is, zo voelt het althans, dat die verder kan gaan. Dat die niet meer opgehouden wordt door alle onzin die we hier bij elkaar verzonnen hebben – onzin gezien vanuit dat hele eeuwenoude perspectief waar je eigenlijk van bent, je bent eigenlijk van dat eeuwenoude. Dat ben je gewoon vergeten.
En waarom dat is, weet ik niet. Ik kan het alleen constateren dat het zo is.
Je kunt dat dus ook, als je een keer dat contact hebt, dan kun je daar niet over discussiëren, je kunt niet zeggen, nou dat is zo en dat is zo. Je kunt alleen van moment tot moment, kun je dat proberen te volgen. Heel gehoorzaam te zijn.
En elke keer dat je dat doet, dan voel je dat het juist is, dan voel je dus dat er beweging is.
Dat is het meest duidelijke wat er is, dat het beweegt, dat het verandert, dat het gaat. Daarom is het niet voor niks dat er steeds gesproken is over een reis, over een gaan. Dat is het meest kenmerkende ervan.
En dat je, merkwaardigerwijze, dan ook niet meer het gevoel hebt van dat je iets achterlaat, iets wat je tegenhoudt. Je neemt dus geen afscheid meer. Dat is iets achter de rug. Je gaat verder.
Dat betekent in je leven van vandaag heel veel. Dat betekent dat die zogenaamde betrekkingen die je hebt, die zijn een onderdeel van dat enorme proces waar je in staat.
En als we ons niet bewust zijn van dat enorme proces, dan hebben we telkens het gevoel, nou ga ik daar weg, met alle gevoelens die dat inhoudt. En nu ga ik daar naartoe, met alle gevoelens die dat inhoudt. Dat is dus gek eigenlijk.
Want het zijn situaties die aan je voorbij gaan en die je tevens de gelegenheid geven om nog dieper jezelf te leren kennen. Dat is eigenlijk het leven. Maar zolang je denkt van, nou was ik hier en nu ga ik daar naartoe, dan ben je te klein.
Als je dan denkt aan huwelijken en aan partnerrelaties, dan snap je dat dat niet klopt. Dus je gaat je weg.
En op die weg gebeuren allerlei dingen. En die stellen je in staat dus je zicht, je kennis, je gevestigd zijn, steeds dieper te realiseren.
En dan begrijp je dus ook dat je geen plannetjes kunt maken. Dat is onmogelijk.
Je moet natuurlijk concreet, moet je gewoon plannetjes maken. Maar je weet tevens dat die plannetjes voorlopig zijn.
Dus je zit niet aan dat plannetje vast. Dat plannetje is noodzakelijk kwaad, zo moet je leven, zo moet je concreet leven. Maar je zit er niet aan vast.
En wat ons meestal overkomt, dat is dat we te lang aan een plannetje vast zitten. Want we denken: ja maar dat had ik me toch voorgenomen…
Maar het kan best zijn dat je onderweg, soms op een kwart van het plannetje, dat je een andere kant uit moet. Nou, dan laat je dat plannetje liggen. En je gaat verder.
En ons samen zijn, dat we met elkaar praten, dat we met elkaar uitwisselen, dat heeft het grote goed, dat heb ik dus gistermiddag zo ontzettend goed gemerkt, samen met wat in mij klaar lag. Dat je dus nog meer herinnerd wordt aan wat er eigenlijk plaats heeft. Omdat je van anderen verneemt, ja die hebben dat ervaren, en die hebben dat ervaren, en die hebben dat ervaren.
Als je het neemt voor wat het is, wat een ander je vertelt, dan is er niks aan de hand. Maar als je wat een ander vertelt, als de waarheid aanneemt, dan zit je fout. Het is een aanvulling. Het is altijd een aanvulling.
Maar dat kan alleen maar betekenis voor je hebben als je dus een basis hebt. Want anders wordt de mededeling van een ander, die wordt je basis.
Dat kan niet. Je moet je eigen basis hebben. En die basis die groeit in stilte, die groeit in afzondering.
En er is geen mens die me wijs kan maken dat hij zich niet af kan zonderen. Iedereen kan zich afzonderen. Hoe en wanneer ook.
Het is alleen, je moet inzien dat het belangrijk is. Niet om een bepaald doel te bereiken, maar dat het belangrijk is om tot jezelf te komen.
En je zult in jezelf, zul je natuurlijk al de stemmen van het voorlopige, die zul je horen. Het zijn je gedachten. Het zijn alle dingen die je geleerd hebt. Die komen in opstand tegen die innerlijke reis. Die zeggen nee, luister eens, dat kan niet. Dat is gewoon fantasie. Of, zou dat nou wel waar zijn?
Het hoort erbij. Je zit nou een keer in dat voorlopige stuk. Maar als je geduldig doorgaat, dan zul je merken dat je daar los van komt te staan. Terwijl je hier wel gebruik van maakt. Tuurlijk, dat zou het dwaas zijn. Want al die mededelingen die je krijgt, al die boeken die je leest, die hebben ergens een stukje van dat wat jij nodig hebt, dragen ze in zich. En je gaat dat herkennen en dat helpt je weer op die tocht naar de wezenlijkheid.
En die wezenlijkheid is natuurlijk van alle tijden. Die is stevens van wanneer het zich eens ingezet heeft en van waar het naartoe gaat. Het is één geheel. Dat is niet in de tijd van toen en nu. Dat is één geheel. En jij reist er als het ware langs, terwijl je leeft elke keer opnieuw weer. Elke keer opnieuw weer leef je en heb je contact ermee.
Het gaat erom dat je al die wijsheid die je hebt opgedaan, waarvan je op het ogenblik niet weet, dat je die ter beschikking krijgt. En dat je dus zo voortgaat.
Want bij Greet leer je dus héél goed, en daar ben ik Greet erg dankbaar voor, leer je heel goed om de aller oppervlaktigste spanningen die er in je zijn, in je lichaam, om die dus terug te leiden naar waar ze begonnen zijn.
Dat is een geweldige stap die je dan neemt. Je krijgt dan voor het eerst contact met het lichaam wat je nu hebt.
Het kan niet anders dan via die stap. Maar je kunt dieper gaan.
En dan merk je dat, wat er dus van de lichaamskant bekend is geraakt in de loop van de eeuwen, en wat gelukkig bewaard is gebleven, dat dat eigenlijk in jou besloten ligt. En als je dus daartoe afdaalt en dat terugvindt, dan stelt alles wat je nu nog moet oefenen, dat stelt zich vanzelf in. Al begrijp je dan niet wat het nou precies is, dat zal waarschijnlijk moeten gebeuren, je zult het ook weer moeten gaan ontdekken eigenlijk, waarom het zus en zo in jezelf gaat. Dat is zo. Maar het is van een andere kant uit.
Want ik heb me echt heel vaak erover verbaasd dat ik dingen deed, zomaar, en dat ik pas naderhand begreep, mede doordat ik de Greet leerde kennen, dat ik naderhand pas begreep, oh, dat is dat. Maar ik deed het wel.
En dat is niet alleen voor mij weggelegd, dat is voor jullie allemaal weggelegd. Waar je ook staat en hoe je ook bent. Het gaat er alleen maar om dat je leert vertrouwen op jezelf.
En ik denk dat dat het moeilijkste punt is voor ons allemaal. Want je bent in dit leven natuurlijk wat geworden, de een is dit geworden, de ander is dat geworden, de een heeft deze ervaring gehad, de ander heeft die ervaring gehad. En in de verwarde situatie waarin we allemaal zijn, zonder uitzondering, heb je iets opgebouwd.
En dan moet je zonder dat bouwsel omver te schoppen, moet je afdalen naar je eigen wijsheid. Naar je eigen kennis, echte kennis. Het is dus niet iets wat je leert, maar wat in je aanwezig is. En wat je weer terugvindt als het ware.
Als je dat doet, dan zul je ontdekken dat je leven totaal verandert. Ik weet niet hoe, maar het verandert, volledig. En dat je daarbij aandacht voor een ander mens hebt, dat ligt erin besloten.
Want je weet dan dat je bij elkaar hoort. Al weet je niet hoe. Want dat speelt in heel veel mensen parten, die willen dan ook weer weten hoe dat is.
Doe dat niet! Vertrouw op dat diepe weten in jezelf, wat nog niet de gelegenheid heeft gehad om zich, in voor ons verstaanbare, vertaalbare begrippen te ontplooien.
Maar dat kan dus gebeuren, dat kan dus in je leven gebeuren.
Maar dat is dus van die kant af. Dat is niet van deze kant af, van deze… puberkant af van ons.
Want wij geleken bij die diepe wijsheid, ons weten is puberaal. Het is spastisch. Het rust. Het gaat. Het heeft diepte. Het heeft geduld. Het heeft aandacht.
Het laat de ander zijn weg gaan.
Dat is een van de meest merkwaardige dingen die je dan bij jezelf opmerkt. Dat je op een andere manier tegenover de ander staat. Dat je je afvraagt, ja, als hij of zij zo en zo is, wat kan ik dan doen om te maken dat hij zijn weg vervolgt.
En dat is soms, dat is heel wrang, maar het is soms dat je iemand keihard op zijn bek moet laten vallen. Want anders ontdekt hij het niet.
Dat hoef je dus niet agressief te doen, maar je kunt hem laten gaan. Je moet hem niet tegenhouden.
En wat we heel vaak doen, dat is proberen iets wat zich voltrekken wil tegen te houden. Doe dat niet. Dat is niet liefdevol. Dat is kortzichtig.
Je kunt uiteindelijk, die levensimpuls kun je niet tegenhouden. Die kun je niet in een koers dwingen. Dat gaat niet.
De enige vraag is, hoe kun je een ander helpen om zijn weg te vervolgen. En soms is dat, dat is geweldig, ergens tegenaan moet lopen.
Dat betekent niet dat je je handen van hem aftrekt. Dat betekent juist dat je bij hem blijft, dat je hem de kans geeft.
En vanzelf, als je zo probeert met je diepere werkelijkheid te leven. – en hoe diep die is, dat weet ik niet, ik begin te vermoeden dat die nog zeer veel lagen heeft. Maar dat is allemaal onbelangrijk.
Maar probeer dat een kans te geven in jezelf. Want als je dat een kans geeft in jezelf, dan pas kun je een ander helpen. Want dan pas zul je in die ander hetzelfde proberen te bevorderen – en dat is eigenlijk een verkeerd woord, een kans te geven. Want je hebt niks te bevorderen. Daar ben je veel te klein voor.
Dat is ook een van die dingen die we nu heel helder zijn: je kunt niks bevorderen. Je kunt alleen helpen het een kans te geven.
Dat betekent dus dat je er geen richting aan geeft. Dat je eigenlijk alleen maar zegt: voel dieper. Pas dieper, reik dieper. Sta er best stil.
Dat kun je altijd zeggen: sta erbij stil. Maar dan niet op de manier van psychologisch zitten te kneuteren eraan. Maar sta er echt best stil. Doe er niks aan. Laat het met rust. Laat het z’n tijd. Zodat het geleidelijk aanduidelijk wordt.
Dat is net zoals dat je een foto in de ontwikkelbak ontwikkelt. Heel langzaam komt dat beeld op. Je moet de tijd hebben. Niet patsboem dat beeld, je moet het langzaam laten tot je komen.
Dat ben je jezelf. Een aspect van jezelf. Wat dan tot je komt als het ware. Wat je bereikt.
En dan is het ook niet meer een geweldige verbazing en een vreselijk dramatisch gedoe. Alle dramatiek duidt erop, dat het niet goed gaat. Het is iets wat héél langzaam tot je komt. Wat duidelijk wordt.
En hoe je dat in je leven wil doen, dat zul je wel uitvinden. Als je maar weet wat de karakteristiek is van zoiets.
Het is iets wat op een vriendelijke manier bij je komt. Het is iets wat je op een vriendelijke manier bereikt. Het is niet iets waar je van schrikt.
Het is iets wat in de heilige schrift staat: God geeft het zijn geliefde in de nacht. Hij geeft het heel goed weer. Je wordt wakker en zo is dat. Er is helemaal geen verzet, geen moeite, geen worsteling. Al die dingen waar wij zo mee opgevoed zijn, die zijn er helemaal niet bij. Je ontvangt het. Je wordt wakker. Oh ja, zo is het. En je gaat verder.
Wel mensen, dankzij jullie gesprek van gisterenmiddag kon ik jullie dit vertellen.
Bovenaan: Hanna Mobach, Tekening met inkt op rijstpapier, 1986
(variatie op 'Het kleine moeras', 1986).
