Maarssen, juli 2001, vrijdagmiddag
Er was een klein jongetje dat geboren werd in een heel ver land, op een plantage. En het begon al bij zijn geboorte, dat het een beetje mis ging. Want zijn moeder, die zeer geleerd was, kon hem niet voeden. Dus hij werd gevoed bij een Javaanse min. En misschien kwam het daardoor dat hij het gevoel had dat hij niet zo erg bij zijn ouders hoorde. Misschien meer bij zijn vader dan bij zijn moeder. Maar het levengevende had hij niet van haar gehad. En hij was nog dicht bij het moment dat hij vanuit het ongeziene een lichaam gekregen had. En dat alles bij elkaar maakte dat hij zich vele dingen afvroeg die zijn vriendjes en vriendinnetjes zich niet afvroegen. Want die waren gewoon geboren, die hadden een moeder en een vader. Dat was een duidelijke zaak, dat was geen vraag. En de dingen gingen zoals ze gingen. En ze aanvaarden de dingen zoals ze gingen. En dat ging hij merken. Er was alleen één vriendinnetje, die was blind en die had het tweede gezicht, en die begreep waarom hij zich zaken afvroeg. Maar dat was er maar eentje. En hij dacht: ja dat waren wel dingen waarmee hij zich bezighield, hij wist waarom ze blind geworden was, maar dat verbond hij met de gave om de dingen dieper te zien dan hij op dat moment kon. Dus er verbond zich in hem het idee dat lijden, want ze werd bij de spelletjes eigenlijk altijd uitgesloten omdat ze blind was, en erger dan dat, maar daardoor kwam het dat hij al heel vroeg begreep dat lijden ook een andere kant had. En dat hij zich allerlei vragen ging stellen die voor ons gevoel niet des kinds zijn.
Hij vroeg zich onder andere af waarom de ene dag anders was dan de andere dag. En op het heetst van de dag zat hij achter het huis en keek naar het lengen van de schaduw van zijn lievelingsboom. En als die schaduw de paal bereikt had waar de dode slangen aan gespijkerd waren, dan ging hij naar binnen, waarom wist hij niet, maar dat moest gewoon, en de volgende dag ging hij er weer zitten. En hij merkte dat iedere dag anders was. Ten eerste werden er iedere dag andere dode slangen gespijkerd, maar dat was het niet alleen. Hij kon horen dat de ananas die daar in de buurt groeide, anders klonk, want je kunt het groeien horen. En hij merkte bovendien dat de schaduw net iets anders de paal bereikte, en dat stelde hem enigszins gerust, dat er dus dingen gebeurden die zinnig waren, ook al begreep je ze niet, en waar je niks aan kon veranderen. Dat was natuurlijk ook iets waarvan hij later merkte, toen hij al een man geworden was, dat dat iets was wat de meeste mensen niet opmerken. Dat je dus leeft in een wereld die, ook als je er niets aan deed, voor zichzelf zorgde. En weer later merkte hij dat die observatie, wat dat was echt gewoon maar een observatie, eigenlijk heel bijzonder was. Dat de mensen daar, in die tijd – dat is nu ook al heel anders, ik heb net een boek gelezen van een jonge Indonesische schrijfster over het Indonesië van nu, waar een heleboel vreselijke dingen instaan, corruptie, doodslag, marteling – dat dat dus te maken had met die telkens andere schaduw, die vanzelf zo ging. En dat het enige wat je je af kon vragen was, wat kan ik doen om dat wat gebeuren moet, om dat zo zacht mogelijk te maken. En wat ligt binnen mijn bereik. Want doordat hij had leren luisteren, niet alleen naar de verhalen van de oude vertelster, maar naar wat hij zag en wat hij zich afvroeg en wat hij ondervond, begreep hij dat je in dat grote gebeuren, dat je daar een rol in had, en dat je de grenzen van die rol moest leren kennen. Want je kon die grenzen niet overschrijden. Zoals jullie vanmorgen gemerkt hebben, toen Gerdien een vraag had waar ik onvoldoende op in kon gaan, zodat ze een verlaten gevoel had.
En dat gebeurt natuurlijk nog aan de lopende band. Het leren kennen van de grenzen van het inlevingsvermogen. Het leren kennen van de grenzen van het luisteren. Het leren kennen van de grenzen van je antwoorden. En dat gaat door, omdat de meesten van ons een gevoel hebben dat er een bepaald moment is dat je er bent. En dat is niet zo. Het gaat steeds door. Hoe verder je doordringt in een onbegrijpelijk groot geheel, waar de mensheid als geheel, ook de wetenschap, nog maar een klein puntje van heeft opgelicht, van de sluier die er overheen ligt. En die sluier is niet iets wat echt bestaat, maar in al onze bewustzijnen bestaat hij, die sluier. En dat je daar dus heel veel je in moet verdiepen. Want dat is het enige wat mogelijk is. En je moet je erin verdiepen op een manier waar je niet probeert iets te weten te komen. En dat is waarschijnlijk één van de allergrootste struikelblokken, dat je merkt dat als je je al op weg begeeft, dat je voortdurend iets te weten wilt komen. En dat je dan niet beseft dat dat te weten komen, dat je dat probeert vanuit je geconditioneerdheid, die we allemaal hebben. En dat de meeste vragen, die in beginsel, dat is een heel moeilijk iets, die in beginsel niet in dat geconditioneerde bewustzijn zitten, maar in dat geconditioneerde bewustzijn worden vertaald… Jullie weten allemaal, iedereen is op een bepaalde manier met meditatie begonnen en heeft na een poos gemerkt: oh nee, daar gaat meditatie niet over, dat is iets heel anders. En dat je geleidelijk aan leert om die vertaling te wantrouwen. Want er zijn ongelooflijk veel vertalingen. En jij hebt natuurlijk ook een eigen vertaling gemaakt. En als je hoort van een vertaling van een ander die dicht bij de jouwe ligt, denk je: jah, dat is het. En dat is het dus niet. Het blijft een vertaling. Maar als je je daarvan bewust bent, dan wordt die activiteit minder. De activiteit om vanuit de vertaling je vragen te stellen. Je gaat beseffen dat je voordat je een vraag stelt, dat je eerst moet luisteren waar hij vandaan komt. Waar komt die vraag vandaan. En dat is een moeizame arbeid, om dat voor jezelf helder te krijgen. Want dat betekent niet, en dat is het paradoxale ervan, dat betekent niet dat je moet ophouden te vragen. Maar dat je die vraag eerst moet bekijken. Voor ons lijkt het dat die vraag die opkomt op een bepaald moment, dat dat een vraag is. Maar dat is de vertaling van een vraag. En dat je net zolang met die vraag loopt, leeft, tot je gaat ontdekken dat achter die vraag een andere vraag zit. En achter die vraag zit weer een vraag. En in dat proces van het steeds verder vragen, gebeurt er iets. En dan ga je merken dat je lichaam, adem, energie, dat die eigenlijk al antwoorden heeft. Niet alle antwoorden, maar een aantal. Een aantal die heel dichtbij liggen. En dat is zo belangrijk. Iemand zei laatst nog, ja, bij Greet leren we bijvoorbeeld dat je niet door je grens moet gaan, in wat voor beweging ook, dat kan een heel eenvoudige beweging zijn, dat er dus altijd in een beweging een grens is. Die grens die hangt met heel veel samen. En dat het erom gaat eigenlijk dat je aan die grens even wacht, zodat je, in dit geval je lichaam, wat heel wijs is, ook de gelegenheid geeft om te doen wat het zou willen doen. Namelijk, de grens verleggen, zodat je ontspannen verder kunt. Dat is een heel eenvoudig voorbeeld, maar het is net waar het om gaat. Dat je dus elke keer, en dat geldt ook voor de geest, dat je elke keer als je bijna wanhopig aan een grens komt, tegen jezelf zegt: die heeft een zin, die is er niet om mij te plagen, die zegt ook niet dat ik tekort schiet, die zegt ook niet dat ik het anders moet doen. Die zegt: let op. Niks meer.
En dan is de vraag of je kunt opletten. Dat is iets wat je hele leven zal doorgaan. Hoe dieper je doordringt in je wezen, en je wezen is dat – dat is weer een andere naam voor hetzelfde – je wezen is dat wat nog altijd is van het tijdloze en dat tegelijkertijd hier rondwandelt, zijn avonturen heeft, zijn leven leeft. En dat je door te luisteren op het moment, omdat die beperking er is, vanzelf dieper doordringt. Dat is eigenlijk, en ik heb een vrij lang verhaal vertelt, hetzelfde als dat dat jongetje merkte dat dat lijden een zin had. En voor ons is lijden iets wat we of willen vermijden of voor een ander willen wegnemen. En dat is een goed ding, dat we dat willen. Ik bedoel, het voor een ander wegnemen. Maar het is een vertaling van iets wat veel dieper gaat. Het is een vertaling van als er iets is wat je zo beperkt dat je er wanhopig van wordt, dan betekent het dat het moment is aangebroken om te luisteren en alle beweging, alle willen veranderen, alle willen doorbreken, alle willen ontgrenzen laat vallen. Dat je alleen maar luistert, om te beseffen wat die knoop, die blokkade – je hebt er een heleboel woorden voor – is.
En dat is zo belangrijk omdat dat geen systeem is. Het is een principe. En dat principe moet je leren kennen en eerbiedigen. Anders is dieper doordringen in de werkelijkheid onmogelijk. En ik zei tegen Emilie over het sterven van iemand waar ze veel van hield, zei ik dat ze moest proberen door te dringen in haar eigen verhouding tot die mens. Ik vergat erbij te zeggen dat iedere verhouding met een ander mens iets is van twee mensen. Dat is dus iets wat in twee mensen plaatsheeft. En als in de ene mens van die twee helderder wordt wat die verhouding betekent, dan verandert dat voor die andere mens ook. Want het is een proces van twee. Dat moet je heel goed zien. Dat is niet een proces van één, het is een proces van twee. En alle processen van twee, waar een van de twee ziet wat het is, verandert, voorgoed. Dat wil zeggen: komt weer tot leven, kan weer veranderen, en is dus dan opgenomen in de grote stroom waarvan we alleen de richting kunnen zien soms, maar waarvan we echt niet weten wat die, want hij is enorm groot, en bevat niet alleen de schepping, maar alle werelden, wat dat is, dat kunnen we niet begrijpen. Maar we kunnen wel dat kleine stukje, wat we leren zien terwijl we leven, kunnen we dichterbij die grote beweging komen. En het mooie is dat als je dat probeert, dat gaat niet zo makkelijk, want dat wat je aangegaan bent met de ander, en soms ben je een dochter van een vader en een moeder, is de betrekking al gegeven – wat het nog een beetje moeilijker maakt – dan moet je dat weer teruggeven eigenlijk aan waar het ontstaan is. Dat is een andere manier van zeggen, teruggeven aan waar het ontstaan is, zodat het weer in beweging kan komen, het niet vastzit, niet vastzit in de tijd. Dat het dus door kan gaan in de stroom.
En dat is met alle herinneringen. Ik ben er vaak over aan de gang geweest. Herinneringen lijken je het verleden te zijn. Maar het is niet waar. Het verleden is nu aanwezig. Niet alleen in je herinnering, maar het is echt aanwezig, want het is leven. Alles is leven. Alles is bewustzijn. Alleen, je hebt gradaties in bewustzijn. En wat gebeuren kan is dat je van de ene gradatie, van de ene toestand in de andere overgaat. Dat gebeurt sowieso als je sterft. Dan kom je in een andere toestand van het bewustzijn. Maar het bewustzijn is de drager en die verandert van manifestatie. Dan heeft het een lichaam, dan heeft het geen lichaam. En dat gaat door. Dat is dus geen getal. Dat is iets wat heel natuurlijk, zoals de schaduwen verschuiven, daar kun je niets aan doen, dat gebeurt, maar in hoeverre jij in die beweging kunt doordringen, dat is belangrijk. Want als je daarin doordringt, dan maak je vele littekens, en dat zijn de momenten dat je dacht dat het zo was en niet anders, die maak je ongedaan. Dan kun je weer door. Ondanks het feit dat die littekens gemaakt zijn, dat jij dat gedaan hebt, maar je hebt niet geweten dat je het deed, omdat je in de vertaling leefde. En zo is het (er) dus in het feit dat er zoveel leed is in de wereld, naast kortstondige vreugde, die we natuurlijk allemaal ook kennen, we vinden iemand waar we van houden, we kunnen ons doel bereiken, we kunnen een positie innemen die we ons wensen, dat zijn allemaal dingen waar we blij om kunnen zijn. Maar als je een beetje langer geleefd hebt, dan weet je dat dat aldoor weer verschuift. En dat je jammer genoeg vaak die positie wilt behouden of een nog grotere positie krijgen of nog meer geld krijgen, of nog meer kennis krijgen. En dan mis je dus waar het om ging toen je geboren werd. En daarom is het zo belangrijk dat je in dat hele leven wat je leeft en wat natuurlijk een einde heeft, en wat heel goed is dat het een einde heeft, want kijk, als je sterft en je komt in een andere bewustzijnstoestand, dat wil zeggen jouw bewustzijn komt in een andere toestand, dan heeft het geen last meer van alle vertalingen die je gemaakt hebt. Dan kan het opnieuw beginnen. Helemaal schoon. En dan komt het natuurlijk weer in de wereld van de vertalingen. Dat is zo. Maar in de mate waarin het een keer geleerd heeft, door te leven, gewoon door te leven, door te doen, te lijden, dat je in een vertaling leeft, dan zul je de volgende keer iets minder vastzitten in de vertaling.
En daarom is het belangrijk, vandaag, morgen, overmorgen om je hiermee bezig te houden, want dat is iets wat reikt over wat wij de dood noemen. En dat is het enige wat een garantie zou zijn dat er een verandering in de wereld komt. Dat we dus inderdaad gaan merken dat als de thermometer aanwijst dat het zoveel graden is, dat daar nog maar weinig mee is gezegd. Want bij 22 graden kan de luchtsamenstelling telkens net iets anders zijn. Wat we dezer dagen heel goed kunnen beseffen.
En zo ga je merken dat alle dingen waarvan je dacht dat ligt zo, de thermometer zegt 22 graden, dus het is mooi, dat is niet waar. Ten eerste ben jij bij 22 graden niet altijd hetzelfde, maar er zijn nog vele factoren in dat 22 graden die daar niet in gevangen zijn. Aan zoiets simpels zie je al dat wij in vertaling leven, vertaling van het onbekende. Alles is onbekend eigenlijk. En de meeste mensen zeggen dan: ja, waar zijn we dan. Ja, we zijn dan natuurlijk niet meer dan in de wereld die al vastgesteld was, en waar ook de wetenschap nu aan twijfelt. We zijn in een hele onbekende wereld. En we moeten er op ingaan vanuit onze vertaling, vanuit onze beperkte vertaling. Maar dat is het enige wat we hebben. Dus mensen, aan de slag.
