Wij leven bij de namen
Vijfdaagse december 1995 in Huissen
| maandag |
Eén van de laatste vragen gisteren was van Jan Dotinga, over het alleen zijn.
En ‘alleen zijn’ duikt in al mijn gesprekken met mensen op. Vaak niet zo heel direct uitgesproken, maar zo in de loop van het gesprek is dat altijd één van de laatste dingen.
En het is ook heel begrijpelijk, want wij proberen in het leven bevredigende relaties op te bouwen. Als ze niet bevredigend zijn – en daar heb je heel veel gradaties in – dan proberen we dat te verbeteren. En dat is ook heel menselijk. En dat is ook heel goed. Maar het jammere is dat het niet reikt tot waar het eigenlijk om gaat.
Het gaat eigenlijk om – ik durf het haast niet te zeggen – het feit dat je alleen bént. En dat je dat vergeten bent in de droom, die wij ‘het leven’ noemen. En als je zo naar je leven kijkt, dan merk je hoe dat eigenlijk daar omheen draait, om dat hebben van een bevredigende relatie. En het hangt er helemaal van af hoe hoog je eis is, of je dat ooit bereikt.
Maar nogmaals, dat is eigenlijk in de oneigenlijke voorlopige wereld van ons leven, van geboorte tot dood.
Dat is eigenlijk ons tweede leven – ons eerste leven, dat nooit begint en nooit ophoudt, dat zijn we vergeten. En daarmee zijn we dus ook vergeten dat we eigenlijk alleen zijn.
En dat alleen zijn, dat is dus bekeken vanuit ons tweede leven, vanuit ons voorlopige leven. In werkelijkheid is het zo dat je, als je beseft, en contact hebt met het eerste leven, wat nooit sterft, dan ben je juist verbonden met het totaal.
Maar dat kun je van hieruit, vanuit het tweede leven, kun je dat niet beseffen, heb je daar geen voeling mee, heb je daar geen contact mee. En dus zoek je de geborgenheid van een bevredigende relatie.
Maar op de weg naar verinnerlijking, zul je ongetwijfeld dat alleen zijn tegenkomen. Dat alleen zijn leeft vanuit de wereld, die sterft en ontstaat.
En daarom is het goed om te weten dat je oorspronkelijke staat, van hieruit gezien, alleen is.
En dat het dus eigenlijk een goed teken is, als je je alleen voelt. En dan is het heel belangrijk dat je dus niet dat afkeurt. Dat je het niet afkeurt dat je je alleen voelt.
Dat je tegen jezelf zegt: oh, dat is blijkbaar nu aan de beurt. In dat hele lange, lange, lange leven van duizenden jaren – want dat zijn we ook vergeten.
We hebben niet meer dan het leven van onze geboorte tot aan dit moment, in ons bewustzijn. En zijn vergeten dat we al een hele lange reis gemaakt hebben. Die we ons niet meer kunnen herinneren.
En dat is een goed ding dat we ons dat niet herinneren. Want anders dan gaan we ons leven doorbrengen in fantasieën. Dus dat ons die herinnering is afgenomen bij onze geboorte, dat is een goed ding.
En dat is de ontwikkeling, dat is de evolutie van de mensheid, de evolutie van het menselijke bewustzijn. Dat we afgesneden zijn van die ongelooflijke lange reis door de tijd. Bijna onheugelijk.
De wetenschap zet bepaalde punten uit, vijfduizend jaar, tienduizend jaar. Maar het ontgaat je in je besef.
Maar als je dus het gevoel van alleen zijn niet afkeurt, maar juist ziet als een positief verschijnsel, wat er dus bij hoort, wat bij jouw ontwikkeling hoort, jouw eigenlijke ontwikkeling. Jouw innerlijke ontwikkeling, die onzichtbaar is, waar je niet van kunt zeggen: dan en dan begon die. Die is al heel lang begonnen, heel, heel, heel lang. En dan zeg ik: ‘al begonnen’, en dat is toch in de taal van de tijd.Maar het is het meest nabijzijnde wat ik kan zeggen. Maar als je nauw maar maar bedenkt dat het dus onheugelijk lang is, dan doe je geen moeite meer om daar iets van te weten. Dan zeg je, oké, dat is dus zo.
En als je alleen bent, als je voelt dat je alleen bent, dan heb je de eerste benadering daartoe. En je merkt dan, als je je dus niet verzet hè, het is net als bij het sterven, het is heel belangrijk om je niet te verzetten. Als je je niet verzet tegen dat gevoel van alleen zijn. Als je het als een positief signaal opvat.
Wat ik nu zeg is natuurlijk een vloek voor de psychologie, maar ik kan er niks aan doen.
Als je het dus opvat als een positief signaal, dan gaan er een heleboel dingen gebeuren in je leven. Dan ga je bij heel eenvoudige dingen, ga je opmerken dat ze van kwaliteit en van waarde en van kleur voor je veranderen. Maar je kunt dus bijvoorbeeld, als je wat ik van jullie vraag, dus als je aan tafel even staat, voordat je aanvalt. Hè! Of als ik vraag, om het te beëindigen even ophoud met waar je mee bezig bent. Misschien ben je nog aan het eten, misschien ben je net midden in een gesprek afwachtend dat er een grap komt. Als je dan inderdaad even herinnert: Ja, maar dit was van het tweede leven.
Je keert naar binnen, dan merk je dat het heerlijk is om al de geluiden te horen die er zijn. Je hoort dan in de keuken, hoor je allerlei geluiden, je hoort de mensen daar praten, soms hebben ze reuze plezier. Je hoort buiten een auto langskomen.
En het is heerlijk… Dus je hoeft je dan niet in te houden, je bent plotseling los van die hele voorlopige wereld en je bent in de stilte van jezelf.
Dat is een heel, een heel belangrijk iets, dat je dus dat stil zijn, op een seintje van mij, dat je dat omarmt. Dat je dat niet als een pauze ziet, maar als een terugkeer tot je oorspronkelijke staat.
Als je dat doet, dus als je je zo instelt, als je je even herinnert wat ik zei, dan kan in het leven, kunnen die momenten van in een andere wereld zijn, zich uitbreiden. Het kan je soms midden op de dag gewoon overvallen. Je bent heel erg bezig, maar je doet iets wat je leuk vindt. Dat is de meest complete toestand die je je voor kunt stellen. En plotseling is er niets, helemaal niets.
Dan ben je alleen nog maar een levend punt in de wereld. Je hebt geen neiging om ergens naartoe te gaan, je hebt geen neiging om ergens vandaan te gaan. Daar waar je bent, is het goed.
Je bent niet op zoek naar een partner, je bent niet op zoek naar een vriend. Je bent niet op zoek naar een andere situatie dan waarin je bent. En daar waar je bent en dat is goed.
Dat is het begin. En dat breidt zich uit. En op den duur ga je merken dat dat zijn in die oorspronkelijke wereld, je laaft. Dat je daarin terug bent, in die oorspronkelijke staat. En dat je even los bent van die gecompliceerde, warrige, verdeelde wereld, waar je normaal in bent en waar je deel van bent. En waar je in werkt en waar je in leefde waar je in droomt, waarin je plannen maakt. En dat er niets meer hoeft.
En je gaat merken dat je dat heel erg nodig hebt. Dat je het heel erg nodig hebt om niets te zijn, helemaal niets. Dat er geen morgen is en geen gisteren. Dat je eindelijk eens een keer los bent van dat idee dat je sterft. Eens. Dat je eigenlijk, vanuit de voorlopige wereld, op dat moment al gestorven bent. Je bent gestorven aan alle afspraken, alle conventies, alle plannen, alle toekomstvisies. Alles.
En dat noemen wij dus, wat ik nu beschrijf, dat noemen wij ‘alleen zijn’. En daar zijn we eigenlijk een beetje bang voor. Dat is heel erg jammer. Want als je d’r bang voor bent, dan kun je het niet ervaren. Dat is gewoon zo. Dan heb je zelf een muurtje opgetrokken.
En je verwacht daar iets akeligs van, namelijk, wat verwacht je ervan? Dat het bekende ophoudt. Dat je jezelf zoals je jezelf kent en zoals je jezelf ervaart, en dus zoals je je leven ervaart, dat dat ophoudt. Nou, dat is het laatste wat we willen.
Wij zeggen dan: dan ben je dood. Dat is niet zo.
Dit is een heel vitaal iets. Dat gevoel van dat je dan sterft, dat is ook duizenden jaren oud. Dat is dus met die ontwikkeling van het bewustzijn naar verzelfstandiging, of zoals Jung het noemt: individuatie, is dat gebeurd. En een kind, dat pas geboren is, is dus nog niet geïndividualiseerd.
En die kent dat nog. Maar dat is zo vanzelfsprekend, dat hij dus nog geen besef heeft waar hij in komt.
Ik heb het toen ik geboren werd wél beseft.
Het is een hele pijnlijke historie. Ik heb wel beseft dat ik opeens in een wereld kwam, waar alles in stukjes was. Dat zeg ik nu, maar ik noem dat gevoel, dat ken ik heel goed.
En dat is ook letterlijk wat er gebeurd. Je komt in een wereld waar alles wat één is, in stukjes gevallen is. Dat is natuurlijk niet écht zo.
De wereld blijft een geheel. Maar ons bewustzijn ervaart het in stukjes. En die stukjes die halen we bij elkaar, maken we verzamelingen van, categorieën.
Maar we kunnen nooit een hele wereld ervaren. Een wereld die heel is, kunnen we niet meer ervaren. Want we hebben het opgedeeld (?laat ik niet zeggen?) we hebben het opgedeeld –: dat is gebeurd.
De wereld die één was en nog altijd is, is voor ons bewustzijn opgedeeld.
Het begint al – de grootste verdeling is, dat wat er was voordat je geboren werd, en dat wat er is nadat je geboren bent. Terwijl vanuit die eenheid is het natuurlijk onzin.
Het zou je beter kunnen zeggen: dat bewustzijn, wat je ‘ik’ noemt, dat wordt ondergedompeld in de verdeelde wereld. Maar jij, die ondergedompeld wordt, behoort altijd nog tot de eenheid.
Dus, als ik het nauw een beetje christelijk zeg: in feite ben je nooit weg van God.
Maar de ontwikkeling heeft gemaakt, dat we God buiten ons ervaren. En we hebben het gevoel dat we daarnaartoe moeten. Terwijl eigenlijk alleen maar is beseffen, dat je in God bént.
Dus je moet je niet verplaatsen, je moet ingaan. Dat andere is een vruchteloze poging.
En daarom hebben we dat ongelooflijke grote probleem van het alleen zijn.
Want die gefragmenteerde mens, die verdeelde mens, die verzelfstandigde mens, met zijn neiging die door de hele maatschappij heen speelt: zichzelf te handhaven en zichzelf te verdedigen, zichzelf uit te breiden. En je te verbinden met een ander zelf—je.
Die hele wereld bestaat dus alleen in ons bewustzijn.
Dat is gek, hè. Dat is heel heel erg gek. En toch, dat is het meest gekke, zijn we ons hele leven bezig met in die wereld, die a priori in ons bewustzijn, a priori verdeeld is, die niet één is, zijn we bezig om dat bij elkaar te krijgen.
En de relatie te hebben, waarin er geen afstand meer is tussen mij en de ander. En mensen, dat kan niet. Als je dat wilt, dan moet je eerst je bewustzijn veranderen.
Dan moet je je dus bewust gaan worden dat jouw bewustzijn in de toestand is van verdeeldheid – on de Bijbel noemen ze dat ballingschap. Dat is precies hetzelfde.
Je bent weg, je bent een balling, je bent weg uit God.
En dat je weg bent uit God, dat voel je, doordat je, als je heel nauwkeurig bij jezelf nagaat, heel goed weet, dat alle relaties die je aangaat, voorlopig zijn. Want dat is zoiets akeligs, dat wil je niet waar hebben.
Dus je neemt je voor om trouw te zijn. En van allerlei, wat erom heen is. En omdat je je zo inspant daarvoor, raak je steeds verder weg van de werkelijke toestand.
Terwijl je al die tijd, dat je je zo in spant, al die tijd, ben je in de een,. in het ene. Dat wat nooit ontstaat en nooit vergaat. Wat nooit geboren wordt en nooit sterft.
En in al de religieuze stromingen die er zijn, wordt het merkwaardige feit besproken, op allerlei manieren, dat je in dit leven moet sterven om geboren te kunnen worden.
Nou dat is voor ons, voor ons is dat gewoon quatch. Je bent toch al geboren? Wat is dat nauw voor een onzin.…
Je bent niet in werkelijke zin geboren.
Ons geboren worden, zoals wij dat normaal kennen. Hè! Dus je wordt op een bepaald moment uit de schoot van een vrouw geboren, is de kans die je krijgt om te beseffen wat je bent. Maar de meeste levens verlopen zo, dat we als we dan geboren zijn, Na de eerste maanden zijn we al vergeten waar we vandaan kwamen, wie we zijn eigenlijk dus – Ik zeg het fout: niet waar we vandaan kwamen, maar wie we zijn. Is die wereld waar je in komt, die verdeelde wereld, waarin je jong bent en oud bent, waarin je gisteren hebt en morgen en nu, die is zo alles overheersend, en je moet daar ook nog in presteren, en je moet aan eisen voldoen, en je kunt er knap in zijn, en je kunt er dom in zijn, je kunt geslaagd raken, je kunt verongelukken in die wereld. Dat is zo ontzettend veel, dat je vergeet dat je nog niet echt geboren bent, namelijk vanuit de verdeeldheid in de eenheid. Dat moet nog gebeuren.
Maar dat betekent dus ook, dat je moet sterven aan verdeeldheid. En eigenlijk is ook die goeie, ouwe, dwaze Zen, die weet daar heel goed van. Die vraagt namelijk die gekke vraag, die je waarschijnlijk allemaal kent: hoe was je gezicht voor je geboren bent? Dat is precies dit.
En dit is natuurlijk voor ons een ongelofelijke salto mortale, want je gaat dan beseffen dat er op de wereld, de verdeelde wereld – en dat is de enige wereld die wij zo van dag tot dag kennen – dat daar geen zekerheid in bestaat. Het is onmogelijk. Het is echt onmogelijk.
De enige zekerheid is die waarin je ervaart, dat je niet verdeeld bent alleen maar, maar dat je ook EEN bent. En dat je over dat EEN – dat is een heel groot onderscheid – dat je daar geen enkele macht over hebt, dat je daar niets aan doen kunt.
En weinig mensen beseffen dat dat een schrikbeeld is: de schrik dat jij daar niets aan doen kunt, dat je daar alleen in kunt gaan, en alleen zijn. En verder niets.
Het is van ons gewone dagelijkse bewustzijn uit, is dat heel weinig. In werkelijkheid is het de ongekende volheid. Want dat is een ander betekenis van de leegte.
De leegte is de ongedeelde volheid. Voor ons is leeg iets waar niks meer is, terwijl het in werkelijkheid de ongedeelde volheid is. Daar hoeft dus niets meer in, daar is alles.
En het blijft alles te zijn. Maar het is onze opgaaf in dit leven, dat we ons midden in de verdeeldheid, midden in de strijd, midden in de geluk wat we hebben, dat is er gelukkig ook. Dat is onze opgaaf, dat we beseffen dat we tegelijk datgene zijn, wat heel is, wat niet wordt, wat alleen is.
En het ongelooflijke is, dat je je daar van bewust kunt worden. En dat je daar, daar kun je iets aan doen. Aan dat je bewust wordt .
Dat is fantastisch. Dat is het grootste geschenk, het grootste geheim wat er is: dat je daar iets aan doen kunt.
En het enige wat nodig is, dat is dat je anders luistert en anders kijkt. En dat je dus beseft, dat je daarvoor geen plannetje kunt maken, geen schema ontwerpen, geen structuur ontwerpen. Het is allemaal zo armzalig klein, wat je ontwerpen kunt.
Dus het enige wat van je gevraagd wordt, dat is dat je vrijwillig dat allemaal laat. Dat je gewoon niks doet – niks doet in onze wereldse betekenis. In onze voorlopige wereld, niks doet.
Alleen heel intens luistert. En probeert om alles wat je al kent, te ontdoen van zijn betekenis. Zijn betekenis die je geleerd hebt te geven.
Want alle betekenissen die in ons bewustzijn zijn opgeslagen, waarmee we werken, waarmee we leven, waarmee we verdrietig zijn en gelukkig zijn, die hebben we geleerd. Die zijn niet in ons, maar die hebben we geleerd.Het is dus iets van aangebracht is. En daar hebben we zelf bij geholpen Tuurlijk. Maar we wisten niet dat we daar geholpen hebben daarin.
Dat is de natuurlijke gang van zaken, dat is de evolutie. We leren in de voorlopige wereld thuis te raken. En iedere volgende ervaring die we hebben, en waarin we dus die betekenis die we geven aan alles wat we tegenkomen, opnieuw ervaren – en dat gebeurt natuurlijk de hele dag door, dat je telkens bepaalde dingen tegenkomt die een bepaalde betekenis voor je hebben, en je ervaart ze opnieuw, en daarmee bevestig je dat.
Je bevestigt dus de voorlopigheid, en dat doe je voortdurend. En je bent je niet bewust dat je dat doet. En op een dag komt er iemand langs en die zegt tegen je, wees is stil.
Ach arme, hoe moet je dat doen? Want je hebt je hele leven heb je dezelfde betekenissen bevestigd, met hulp van alle mensen om je heen.
In hele heilige boeken lees je er over dat het noodzakelijk is, dat je alleen bent. En je denkt ja, dat is voor andere mensen, dat is niet voor mij.
Dat is zo hoog gegrepen…
Dat is echt een levensgrote uitdaging. Het is geen probleem, het is een uitdaging. Het is een uitdaging om erop in te gaan. En het verstandigste wat je doen kunt, is daar heel simpel op in te gaan. Dus alles wat je van het minteken voorzien hebt, is een keertje op te zoeken in je leven.
Hè Je zoekt de gezelligheid, je zoekt het verbonden zijn. Dat een poosje niet te doen.
En gewoon te kijken wat er in jezelf gebeurt, dat is heel interessant.
Soms is het leven zo barmhartig om je plotseling bij je nekvel te grijpen en je in de toestand te verplaatsen dat je alleen bent. Dat je lichaam, (onverstaanbaar) dus dat de mensen die je zien kunnen.
En dan hangt het ervan af wat er gebeurt. Of je dan het gevoel dat je onrechtvaardig behandeld bent. En dat je aldoor terug blijft verlangen naar die toestand waarin je dus wel met de ander was.
Of dat je beseft, Ah! Nu kan ik eens een keer zien wat er gebeurt in mezelf.
Maar ik denk dat eigenlijk van ons gevraagd wordt, terwijl we gezellig met elkaar zijn en het eigenlijk wel naar onze zin hebben. Nou ja, er zijn natuurlijk altijd dingen die je nog beter zou willen hebben. Hè! Maar zo door de bank heen.Is toch wel een redelijke leven wat je hebt.
Soms ben je ziek, maar dat gaat weer over.
Maar hier is het dan Het is dus een heel bewust iets, een bewuste daad.
Het is proberen alleen te zijn. In onze betekenis. Maar dat kun je natuurlijk telkens doen, op een dag.
En dan ga je merken dat dat alleen zijn, dat dat een heel complex iets is. Want je kunt je dan wel terugtrekken uit het menselijke gewoel. Maar wat aan de gang is dat zijn je gedachten en je gevoelens en je, stemming.
Dus het is nog eens een laagje erbij. En die stemmingen en die gevoelens en die gedachten, zijn allemaal gerelateerd aan het voorlopige leven.
Dus alleen zijn is een heel bijzonder iets.
Dat betekent dus dat je dat ook eens tot je door laat dringen. Waar die gedachten over gaan. Waar die gevoelens over gaan.
Dat je dat dus niet meer als natuurlijk aanvaardt. Dat je dus willens en wetens daar naar luistert. En je eigenlijk afvraagt: naar wat beweegt daar nu achter die gedachten en achter die gevoelens.
Als je die aandacht hebt, dan zul je geen gedachten meer vermenigvuldigen. Het is fantastisch. Als je zó op je gedachten en je gevoelens ingaat, houden ze eindelijk op zich te vermenigvuldigen.
En dan kun je je natuurlijk afvragen: ja, waarvoor is dat eigenlijk allemaal hè? Ik leef toch in deze wereld?
En juist omdat je in deze wereld leeft, is dit zo belangrijk. Want we weten met z’n allen, daar hoef ik eigenlijk geen verhalen over te houden, hoe die wereld van ons is, als we geen genoegen meer nemen met ons natje en droogje en ons achtertuintje, alleen maar! Als we ietsje verder kijken, dan weten we dat het een tragische wereld is. Waar iedereen z’n best doet om voor hem het meest begeerlijke, wat dat ook zijn mogen te verwerkelijken. En het moet noodzakelijk, moet dat botsen met waar anderen mee bezig zijn. Dat is een duidelijk zaak.
Jullie merken wel, ik draai in een cirkel om één ding heen. dat is ook m’n bedoeling.
Dat je dus gaat beseffen, dat je opnieuw moet beginnen. En ik heb allemaal te danken, deze palaver vanochtend aan deJan Dotinga gehad, die het dus over het alleen had.
Maar het is inderdaad een heel belangrijk ding in het leven. Dat je je uiteenzet met voor ons het probleem alleen zijn. Het is voor ons een probleem.
Maar het is natuurlijk niet echt. Alleen zijn is de poort, waardoor je tot de werkelijke gemeenschap komt.
En ik vertel ervan, opdat je in je leven de momenten, dat het leven je er eigenlijk voor stelt, voor dat probleem, dat je er met iets andere ogen tegenaan kijkt.
Dat je het dus niet ziet als een onrechtmatig iets wat je wordt aangedaan, maar dat je het ziet als een kans om erop in te gaan. Dat je dus niet probeert terug te gaan naar de voor jou herkenbare toestand van de tevredenheid. Maar dat je het echt ziet als een kans om op iets in te gaan waar je nog niet op ingegaan bent in je leven.
En daar met alle vezels van je ziel naar te luisteren. Het op te zoeken zelfs. En dat kun je elke dag.
Je kunt dat elke dag opzoeken. Al is het maar vijf minuten. Of tien minuten, of een uur. Het hangt van de omstandigheden af .
En als je dat geregeld doet, dus net als met het zitten, dan zul je zien dat er een heleboel veranderd in je leven. Je krijgt het minder druk, want je kunt naar alles luisteren zonder je te verzetten.
Dat beseffen ook heel weinig mensen. Dat ze zich eigenlijk verzetten tegen alles wat van buiten komt. En daarom zijn we vaak heel moe.
Terwijl natuurlijk datgene wat van buiten komt, dat heeft te maken met jouw situatie. Dat is dus voor jou bedoeld. Waarom zou je je daar tegen verzetten? Het heeft iets wat voor jou bedoeld is.
Waarom zou je dat doen?
Je doet dat vanuit die verdeelde toestand waar je aldoor bezig bent om die dingen bij elkaar te brengen die verdeeld zijn.
Maar als je zo luistert, wat ik bedoel, dan hoef je die dingen niet meer bij elkaar te brengen, dan is het bij elkaar. En jij hoort daarbij.
Zo simpel is het. Dus waarom zou je dat niet opzoeken? Waarom zou je aldoor maar buitenom blijven ronddarren en in de verte horen dat er zoiets is als eenheid? Terwijl je erin kunt zijn. Zonder moeite.
Het is alleen maar een verschuiving van je aandacht.
En pas op. Vergis je niet. Het heeft niets te maken met de intensiteit van de emoties zoals wij ze kennen. Het heeft helemaal niets te maken. Veel mensen denken dat het dus iets heel intens is, dat het dan iets te maken heeft met die ene.
Niks hoor, helemaal niet.
Dus vergis je niet. Het is niet iets dramatisch.
Het is niet iets geweldigs. Het is iets heel liefelijks. Het komt onverwacht.
Het is niet te vangen. Het is zoals een klein wildzuchtje dat vlak voordat hij bij de deur is, heel zacht wordt, bijna niet verder gaat en je net bereikt. Zo is het.
Want die liefelijkheid, die ongecompliceerdheid, die onopvallendheid ook, het is heel onopvallend. Jij moet het zoeken. Jij moet er voor open zijn.
De deur moet bij jou open staan, zodat dat koeltje nog net binnen kan komen.
Dat is jouw deel ervan. Jouw deel van het ingaan op de eenheid.
Want die eenheid, die wacht al zó lang, dat jij de deur open zou zetten. Openen. Wachten.
Die klopt niet totaal tegen je bewustzijn aan. Het is een zwijgende aanwezigheid, waar jij in kunt glijden.
En natuurlijk, dat gedeelte van het bewustzijn is nog altijd het grootste gedeelte van je bewustzijn. Dat houdt dat niet uit. Dat wil terug. En het gaat ook terug.
En dan ben je terug in je vertrouwde wereld. Je vertrouwde, verdeelde wereld. Maar er is wel wat gebeurd. Je hebt een flauw besef van het andere. En dat kun je niet meer vergeten.
Dat is iets prachtigs. Dat kun je niet meer vergeten. En dat maakt dat het je makkelijker weer bereikt. Omdat je het niet meer vergeet. En je voelt wel, dat alles wat ik nu gezegd heb, dat is iets wat in de enkele mens plaats vindt. In de enkele mens. Niet in twee, niet in drie, niet in een groep. In de enkele mens. Daar kan het alleen nog plaats hebben.
Vandaar het alleen zijn. Het is nodig. Dat ga je nu maar zeggen.
En hoe dieper dat besef wordt, van dat andere, dat duizenden namen heeft gekregen. in de loop van de eeuwen, hoe bereidwillig je bent om naar een ander te luisteren.
Want die ander ben jij. In een andere vorm. Dus het is heel belangrijk dat je hoort.
Zodat je nog niet gezegd krijgt van wie je bent. Van wie die eenheid is.
Dat verandert je wereld dus totaal. Alles wat je hebt proberen te vermijden tot dan toe, dat nodig je uit.
En je beseft, in dat hele gebeuren van de verdeeldheid en de eenheid, dat dat geen gestructureerde oefening is, mensen. Echt niet.
Het is jouw eigen weg, die jij alleen maar kunt gaan en niet iemand anders. Daar kun je dus ook niet een oefening van een ander overnemen. Dat gaat niet. Dat is onzin
Toch is dat altijd maar gebeurd, duizenden jaren lang is dat gebeurd. Dat gezegd werd, die en die, die heeft het bereikt. Nou gaat het net zo worden als hij of als zij.
Kan niet. Jij bent de enige die die weg wil gaan. En het is aan jou om te gaan.
Er is geen enkele dwang. Dan ben je helemaal vrij in. Het leven dat slingert je af en toe in een situatie waarin je dat makkelijker kunt beseffen.
Het zijn meestal situaties die wij proberen te vermijden, te koste van alles. Maar het is dan de barmhartigheid van het leven om je ergens in te slingeren waar al je zekerheden en alles wat je kent en alles waarmee je bezig bent plotseling weg is.
En als je dat herkent, dan ben je een gezegend mens.
Dus kijk er zo eens tegenaan.
Tegen dat heel gewone leven van jezelf. En je zult zien dat is niet zo gewoon. Het is bijzonder ongewoon.
En het blijft ongewoon. En het blijft een geheim. Waar je telkens weer in bent en weer uit valt, weer in bent en weer uit valt. .
Het is heel erg fantastisch dat ons die gelegenheid geschonken wordt. En dat we elkaar daarbij kunnen helpen. Door elkaar niet aan te praten, dat alleen zijn zo vreselijk is.
Bovenaan: Hanna Mobach, Serie ‘Groningen’, 1974
